ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0316
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid last tot uitzetting en rechtmatigheid bewaring vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Bulgaarse nationaliteit, werd op 1 december 2000 in bewaring gesteld en kreeg een last tot uitzetting opgelegd door de korpschef. Eiser betwistte de bevoegdheid van de korpschef omdat het mandaat van de Staatssecretaris van Justitie niet expliciet in de last tot uitzetting vermeld stond. Tevens stelde eiser dat de melding bij het Rayonbureau Penitentiair Consulenten (RPC) te laat was gedaan, waardoor de bewaring onrechtmatig zou zijn.
De rechtbank overwoog dat uit artikel 23 van Pro de Vreemdelingenwet in samenhang met artikel 48 van Pro het Voorschrift Vreemdelingen blijkt dat een mandaat niet expliciet in de last tot uitzetting hoeft te worden vermeld. Het woord "namens" in het document betekent niet dat een mandatering expliciet moet blijken. Daarnaast stelde de rechtbank vast dat eiser geen geldige verblijfsvergunning had, zijn identiteit en nationaliteit niet vaststonden, en dat zijn uitzetting was gelast.
Wat betreft de melding bij het RPC oordeelde de rechtbank dat deze binnen de vereiste termijn van twee werkdagen had plaatsgevonden, ondanks dat meldingen in het weekend mogelijk zijn. De rechtbank vond geen bewijs dat een eerdere melding altijd leidt tot een snellere plaatsing in een huis van bewaring. Gezien deze omstandigheden achtte de rechtbank de bewaring rechtmatig en het beroep ongegrond.
De rechtbank wees ook het verzoek om schadevergoeding af en verklaarde het beroep tegen de last tot uitzetting en bewaring ongegrond. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de toekenning van schadevergoeding betreft.
Uitkomst: Het beroep tegen de last tot uitzetting en bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.