ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0332
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid bewaring en uitzetting vreemdeling zonder hoorplicht
De vreemdeling werd op 2 november 2000 in bewaring gesteld vanwege een gelaste uitzetting en het belang van de openbare orde. Hoewel hij geen beroep tegen de bewaring had ingesteld, werd op 29 november 2000 een kennisgeving gedaan die gelijkgesteld werd met een beroep. De uitzetting werd ingezet voordat de vreemdeling persoonlijk kon worden gehoord over de bewaring, wat volgens artikel 34a, tweede lid, Vreemdelingenwet in beginsel niet is toegestaan.
De rechtbank weegt twee belangen af: het belang dat de bewaring niet langer duurt dan strikt noodzakelijk en het recht van de vreemdeling om gehoord te worden. In het algemeen prevaleert het belang van een korte bewaring, waardoor uitzetting vóór het instellen van beroep niet automatisch onrechtmatig is. Echter, als beroep is ingesteld of een gelijkgestelde kennisgeving is gedaan, mag uitzetting alleen plaatsvinden als de vreemdeling afstand heeft gedaan van zijn recht gehoord te worden.
In deze zaak was geen afstandsverklaring getekend en werd de vreemdeling niet gehoord, waardoor de bewaring onrechtmatig werd geacht vanaf het moment dat de zitting begon tot de uitzetting. Desondanks wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af. Het beroep wordt gegrond verklaard en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling is onrechtmatig vanaf het moment dat hij niet persoonlijk kon worden gehoord, maar het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.