ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0346
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening inzake verblijf witte illegalen met schoolgaande kinderen
Verzoekers, een Turks echtpaar met drie minderjarige kinderen, vroegen op basis van de tijdelijke regeling witte illegalen (TBV 1999/23) een verblijfsvergunning aan. Verweerder wees deze aanvragen af omdat niet was aangetoond dat zij sinds 1 januari 1992 onafgebroken in Nederland woonden en niet voldaan was aan de sofi-nummer vereiste.
Verzoekers stelden dat hun kinderen hier naar school gingen en dat terugkeer naar Turkije een onoverkomelijke leerachterstand zou veroorzaken, waarbij zij zich beroepen op het Verdrag inzake de Rechten van het Kind en het EVRM. Verweerder handhaafde het standpunt dat deze omstandigheden onvoldoende zijn om af te wijken van het beleid.
De president van de rechtbank concludeerde dat het ontbreken van beleid ten aanzien van schoolgaande kinderen in TBV 1999/23 geen ontoelaatbaar manco vormt en dat verweerder terecht het verzoek om advies door de commissie van burgemeesters niet in behandeling heeft genomen. Er was geen reden om de uitzetting op te schorten of om een vergunning te verlenen op humanitaire gronden.
Het verzoek tot voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 november 2000.
Uitkomst: Het verzoek tot schorsing van uitzetting en toelating op grond van de tijdelijke regeling witte illegalen wordt afgewezen wegens niet voldoen aan beleidsvoorwaarden en ontbreken van schrijnende humanitaire omstandigheden.