ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0372

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
20 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/3222, 00/3224
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:67 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:84 AwbArt. 33a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak Sabeeën met vestigingsalternatief Noord-Irak

Verzoekers, behorend tot de Arabische bevolkingsgroep en het Mandese geloof belijdend, vroegen om toelating als vluchteling. De bestreden besluiten wezen deze aanvragen af, mede omdat Noord-Irak als reëel vestigingsalternatief werd beschouwd. De rechtbank oordeelt dat deze motivering onvoldoende is, omdat niet is betrokken dat de Sabeeën hun woongebied in Zuid-Irak hebben en slechts in geringe mate in Noord-Irak aanwezig zijn.

De president stelt vast dat verzoekers onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees voor vervolging hebben. Ook de verklaringen van verzoekers worden als ongeloofwaardig beoordeeld, mede vanwege tegenstrijdigheden in eerdere verklaringen. Het relaas is onvoldoende zwaarwegend voor vluchtelingenstatus, en de vrees voor arrestatie en marteling is onvoldoende geconcretiseerd.

De rechtbank stelt vast dat de bestreden besluiten onvoldoende rekening houden met het geloof en de politieke situatie van verzoekers, waaronder de afgenomen invloed van de ICP in Noord-Irak en het ontbreken van gemeenschapsbanden. Daarom wordt het beroep op Noord-Irak als vestigingsalternatief niet zonder nadere motivering aanvaard.

De voorlopige voorziening wordt toegewezen, waarbij verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten. De Staat der Nederlanden dient het griffierecht te vergoeden. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

President van de Arrondissementrechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak ingevolge de artikelen 8:84, eerste lid, juncto 8:67 Algemene wet bestuursrecht en 33a Vreemdelingenwet
Reg.nrs.: AWB 00/3222 VRWET & AWB 00/3224 VRWET
Inzake: A en diens echtgenote B,
verzoekers, woonplaats kiezende ten kantore van hun gemachtigde mr. S.B. Kleerekooper,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. S.H.J.M. Roelofs.
1. ZITTING
Datum: 15 december 2000.
Zitting hebben:
mr. E.S.G. Jongeneel, president,
mr. R. Faasse, griffier.
Bovenvermelde zaken zijn gevoegd behandeld.
Ter zitting zijn verschenen verzoekers in persoon, bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde.
Als tolk is verschenen de heer S.G. Tahir.
Na het onderzoek ter zitting te hebben gesloten, heeft de president partijen medegedeeld dat op 20 december 2000 om 14.00 uur mondeling uitspraak wordt gedaan. De uitspraak luidt als onder 3. vermeld.
2. OVERWEGINGEN
In geschil is de niet-inwilliging d.d. 5 januari 2000 van de aanvragen van verzoekers om toelating als vluchteling en in verband daarmee verweerders besluit dat de beslissing op het bezwaar hier te lande niet mag worden afgewacht.
De president overweegt dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij gegronde vrees hebben voor vervolging in vluchtelingrechtelijke zin. Verweerder heeft op goede gronden het standpunt betrokken dat de verklaringen van
verzoekers ongeloofwaardig voorkomen. De president neemt hiertoe in het bijzonder in aanmerking dat verzoekers in het kader van het door hen ingediende bezwaar op meerdere onderdelen ten opzichte van het nader gehoor andersluidende
verklaringen hebben afgelegd.
Met verweerder wordt geoordeeld dat zulks afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van het vluchtrelaas.
Voorts is de president van oordeel dat -zelfs indien zou worden uitgegaan van het geheel van de verklaringen van verzoekers- het relaas onvoldoende zwaarwegend is voor een geslaagd beroep op vluchtelingschap. De president acht met
name van betekenis dat verzoekers vrees dat de gearresteerde vriend, welke lid was van de ICP, zou doorslaan en de naam van verzoeker zou melden aan de Centraal-Iraakse veiligheidsdienst, gebaseerd is op een vermoeden. Voorts is
verzoekers stelling dat -indien hij gehoor zou hebben gegeven aan de oproep van de veiligheidsdienst om zich te melden- hij zou worden gearresteerd, gemarteld en gedood, onvoldoende geconcretiseerd en onderbouwd.
Een verwijzing naar het in Irak veelal samengaan van ICP-symphatisant en Mandeeër zijn en de daarbij behorende belangstelling van de autoriteiten acht de president in dit verband te algemeen en onvoldoende. Aan de overgelegde
verklaring van de OMRIK van 1 februari 2000, dat verzoekers tot een bekende oppositionele familie behoren, kan de president niet dat gewicht toekennen dat verzoekers eraan toegekend willen zien.
Voorzover bij de bestreden beslissingen is overwogen dat verzoekers niet in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard, wordt overwogen dat de daaraan in die beslissingen ten
grondslag gelegde motivering onvoldoende wordt geacht. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekers geacht worden zich in Noord-Irak staande te kunnen houden, zonder hierin te betrekken dat verzoekers hebben gesteld
dat zij behoren tot de arabische bevolkingsgroep en dat zij het Mandese geloof belijden.
Voorzover verweerder bij gelegenheid van het verweerschrift de motivering van de bestreden beslissingen op dit onderdeel heeft aangevuld, wordt overwogen dat die aanvulling niet afdoende wordt geacht.
Overwogen wordt dat in het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van april 2000 is gesteld dat de Sabeeën (of Mandeeën) hun woongebied in het zuiden van Irak hebben en dat momenteel een groot aantal van hen in
Baghdad woont. In Noord-Irak hoeven ze in het algemeen niet te vrezen voor vervolging. Aangezien vele Sabeeën van oudsher communistische sympathieën koesterden, zullen zij in een aantal gevallen op steun van bijvoorbeeld de ICP in
Noord-Irak kunnen rekenen. Het aantal Sabeeën in Noord-Irak is evenwel zeer gering, aldus het ambtsbericht. Ter zitting is namens verzoekers daaraan toegevoegd dat in Noord-Irak geen rivieren zijn die geschikt zijn om de Mandese
geloofsceremonieën te voltrekken. Voorts is in het ambtsbericht vermeld dat de invloed en activiteiten van de ICP in Noord-Irak zijn afgenomen sinds de inval in Erbil in augustus 1991. Vele Arabische leden van de ICP zijn uit
Noord-Irak vertrokken.
Op basis van de thans beschikbare informatie is de president van oordeel dat niet zonder nadere motivering kan worden volgehouden dat verzoekers in Noord-Irak beschikken over gemeenschapsbanden vanwege hun geloof en/of beschikken
over politieke banden vanwege de in Noord-Irak zetelende ICP en Noord-Irak voor verzoekers derhalve als reëel vestigingsalternatief kan gelden. Daarbij is tevens overwogen dat van verzoekers niet bekend is dat zij een andere in
Irak gangbare taal dan het Arabisch spreken.
Gelet op het voorgaande kan niet worden gezegd dat het bezwaar van verzoekers geen redelijke kans van slagen heeft. Geconcludeerd wordt dat verweerder ten onrechte schorsende werking aan de bezwaarschriften heeft onthouden.
De verzoeken om een voorlopige voorziening komen derhalve voor toewijzing in aanmerking.
De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van de verzoeken redelijkerwijs
heeft moeten maken.
Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1.420,- (1 punt voor de verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en
wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van verzoekers een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:75, tweede lid, Algemene wet bestuursrecht de betaling aan de griffier te geschieden.
3. BESLISSING:
De president:
1. wijst de verzoeken toe;
2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1.420,-, onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten dient te vergoeden en aan de griffier dient te betalen;
3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoekers betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.
4. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Verzonden op: 8 december 2001