ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0686

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
21 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/73600
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:77 AwbArt. 26 VreemdelingenwetArt. 34a VreemdelingenwetArt. 84 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling voortzetting bewaring vreemdeling ondanks plaatsgebrek in speciaal Huis van Bewaring

De vreemdeling, met Algerijnse nationaliteit, is sinds 31 juli 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet. Na eerdere afwijzing van een verzoek tot opheffing van de bewaring, is opnieuw beroep ingesteld tegen de voortzetting van de vrijheidsbenemende maatregel. De rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds onherroepelijk is vastgesteld.

Het geschil betreft de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring en het regime waaronder deze wordt uitgevoerd. De vreemdeling klaagt over de duur van de bewaring en het feit dat hij niet in een speciaal voor vreemdelingen ingericht Huis van Bewaring is geplaatst, wat volgens hem een onevenredig zwaar regime oplevert. De rechtbank overweegt dat ondanks de langere duur van de bewaring er nog voldoende zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn en dat de overheid voldoende voortvarend handelt.

Verder acht de rechtbank het niet onrechtmatig dat de bewaring niet in een speciaal Huis van Bewaring voor vreemdelingen plaatsvindt, mede gelet op het plaatsgebrek en de bereidheid van de overheid om dit te onderzoeken. De klacht over het regime is pas ter zitting ingebracht terwijl eerder geen gebruik werd gemaakt van deze mogelijkheid. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt niet opgeheven.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de bewaring wordt ongegrond verklaard en de bewaring wordt niet opgeheven.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 34a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 00/73600 VRWET
Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Rotterdam, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. M.S.C. Leistra, advocaat te Zoetermeer,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. M. Verweij, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1974 en de Algerijnse nationaliteit te hebben.
Op 31 juli 2000 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet (Vw). Op 1 augustus 2000 heeft verweerder de vreemdeling vervolgens met toepassing
van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. in bewaring gesteld en nadat op 28 augustus 2000 was beslist op het verzoek om toelating de vreemdeling wederom in bewaring gesteld met toepassing van artikel 26,
eerste lid, onder a, Vw.
Bij uitspraak van 12 september 2000 (AWB 00/9719 VRWET) heeft de rechtbank het beroep inzake opheffing van de bewaring ongegrond verklaard.
Op 30 november 2000 heeft de vreemdeling opnieuw tegen de vrijheidsbenemende maatregel beroep ingesteld.
Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 19 december 2000. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Tevens was ter zitting een tolk in de Franse taal aanwezig.
II. OVERWEGINGEN
De rechtbank stelt voorop dat over de rechtmatigheid van de bewaring als zodanig reeds - in rechte onaantastbaar - is beslist bij uitspraak van deze rechtbank van 12 september 2000. Derhalve staat thans slechts ter beoordeling of
verdere voortzetting van de bewaring, gegeven de omstandigheden van het geval, rechtmatig is.
De gemachtigde van de vreemdeling heeft aangevoerd dat nu de bewaring inmiddels ruim vier maanden voortduurt, er geen reëel zicht op uitzetting op redelijke termijn meer aanwezig is, en dat verweerder niet met de vereiste
voortvarendheid te werk gaat. Voorts wordt namens de vreemdeling gesteld dat de tenuitvoerlegging van het bevel tot bewaring in een Huis van Bewaring dat niet speciaal is ingericht voor vreemdelingenbewaring als onevenredig zwaar
moet worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat ondanks de langere duur van de bewaring er nog voldoende zich op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat en dat verweerder terzake voldoende voortvarend te werk gaat.
De vreemdeling heeft verklaard via Frankrijk Europa te zijn binnengereisd met een door de Griekse ambassade te Algiers verstrekt Schengenvisum, waarna hij in Frankrijk een vervalst paspoort heeft aangeschaft.
Aan de hand van deze informatie is door het Bureau Dublin een onderzoek ingesteld in Frankrijk en Griekenland. Hoewel een Dublin-claim bij Griekenland niet geëffectueerd kon worden, hebben zowel Griekenland als Frankrijk te kennen
gegeven dat de vreemdeling aldaar bekend is. Inmiddels is de vreemdeling op 10 oktober 2000 gepresenteerd bij de Algerijnse autoriteiten, waarop een onderzoek is gestart dat nog steeds gaande is.
Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich vooralsnog in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de uitkomst van het onderzoek dient te worden afgewacht.
Ten aanzien van de grief dat in het Huis van Bewaring waar de vreemdeling zich thans bevindt, een strenger regime wordt gehanteerd dan in Huizen van Bewaring die speciaal zijn ingericht voor vreemdelingenbewaring overweegt de
rechtbank als volgt. Ingevolge artikel 84, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) kan een bevel tot bewaring onder meer ten uitvoer worden gelegd in een Huis van Bewaring, waarbij de vreemdeling niet verder wordt beperkt in
de uitoefening van grondrechten dan wordt gevorderd door het doel van deze maatregel en de handhaving van de orde en veiligheid op de plaats van tenuitvoerlegging.
Hoewel het wenselijk wordt geacht dat het bevel tot bewaring ten aanzien van vreemdelingen wier uitzetting is gelast in een speciaal daartoe ingericht Huis van Bewaring ten uitvoer wordt gelegd, ziet de rechtbank in het feit dat de
vreemdeling niet is geplaatst in een op vreemdelingenbewaring gericht Huis van Bewaring geen grond de bewaring onrechtmatig te achten.
Hierbij neemt de rechtbank in overweging dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat er ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling plaatsgebrek in de op vreemdelingenbewaring ingerichte Huizen van Bewaring was en
heeft aangegeven bereid te zijn te onderzoeken of er thans plaats gevonden kan worden in een van de Huizen van Bewaring die speciaal zijn ingericht voor in bewaring gestelde vreemdelingen, en het feit dat de vreemdeling zich pas ter
zitting heeft beklaagd over het regime in het Huis van Bewaring waar hij zich thans bevindt, terwijl hij eerder van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.
Niet is gebleken dat de voortzetting van de bewaring ten aanzien van de vreemdeling in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid ongerechtvaardigd is te achten.
Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven.
Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
RECHT DOENDE:
verklaart het beroep ongegrond.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. E. Kouwenhoven en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2000, in tegenwoordigheid van J.J. Brands, griffier.
afschrift verzonden op: