ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1140
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Schending hoorplicht bij niet tijdig beslissen op aanvraag verblijfsvergunning
Eiseres, van Sudanese nationaliteit, diende op 23 februari 1998 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en verlening van een verblijfsvergunning. Verweerder besloot niet tijdig op deze aanvraag, waarop eiseres op 24 augustus 1998 bezwaar maakte tegen het uitblijven van een beslissing. Dit bezwaar werd op 26 november 1999 door verweerder ongegrond verklaard. Eiseres stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelde vast dat verweerder de hoorplicht uit artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft geschonden door eiseres niet te horen voordat het bezwaar werd afgewezen. De uitzonderingen op de hoorplicht zoals genoemd in artikel 7:3 Awb Pro en artikel 32, tweede lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) waren niet van toepassing, mede omdat aan eiseres uitstel van vertrek was verleend op grond van artikel 22, eerste lid, Vw.
De rechtbank oordeelde dat het bezwaar niet kennelijk ongegrond was, omdat het terecht klaagde over het niet tijdig beslissen. Daarom werd het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en werd de Staat der Nederlanden aangewezen als de rechtspersoon die het griffierecht moet vergoeden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht.