ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1230

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 december 2000
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/74547 OVERIO H e.v.
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • G.W.S. de Groot
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:82 AwbArt. 8:86 AwbArt. 33a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-toelating vluchteling en opheffing vrijheidsontneming

De zaak betreft een Iraakse Chaldeeuwse christen die beroep instelde tegen het besluit van de Staatssecretaris van Justitie om zijn asielaanvraag wegens kennelijke ongegrondheid te weigeren en tegen de voortzetting van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank overwoog dat de jurisprudentie over verblijfsalternatieven in Noord-Irak voor deze groep uiteenloopt, waardoor niet buiten twijfel staat dat de zaak binnen de versnelde AC-procedure kan worden behandeld.

De rechtbank oordeelde dat de overschrijding van de voorbereidingstermijn voor het nader gehoor niet gecompenseerd kan worden met de kortere nabesprekingstijd, maar dat de beschikking tijdig was genomen omdat de procedureklok stil stond bij overschrijding. Het beroep tegen de weigering van toelating werd gegrond verklaard en de beschikking vernietigd, met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Tevens werd het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel gegrond verklaard en onmiddellijke opheffing bevolen, omdat de grondslag voor voortzetting na de beslissing op de aanvraag was komen te ontbreken. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten, die conform het Besluit proceskosten bestuursrecht werden vastgesteld en betaald aan de griffier. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van toelating is gegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel is opgeheven.

Uitspraak

Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage
zittinghoudende te Haarlem
fungerend president
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
PROCES-VERBAAL VAN
M O N D E L I N G E U I T S P R A A K
artikel 8:81 en Pro 8:86 Algemene Wet Bestuursrecht (Awb)
artikel 33a, 34a Vreemdelingenwet (Vw)
reg.nr: AWB 00/74547 OVERIO H (voorlopige voorziening)
AWB 00/74549 OVERIO H (beroepszaak)
AWB 00/74551 OVERIO J (vrijheidsontneming)
inzake: A, geboren op [...] 1979, van Iraakse nationaliteit, verblijvende in het Grenshospitium te Amsterdam, eiser/verzoeker, hierna te noemen verzoeker;
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.
Tegenwoordig: mr. G.W.S. de Groot, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens fungerend president, en mr. drs. K.M. Lenssen, griffier.
Terechtzitting:
Verzoeker is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. F.W.P.M. Nederstigt, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Amsterdam.
Verweerder is verschenen bij gemachtigde, mr. M. van de Berg, werkzaam bij de onder verweerder ressorterende Immigratie- en Naturalisatiedienst te 's Gravenhage.
Het eerste geschil betreft het verzoek om een voorlopige voorziening. Dit hangt samen met het beroep van 13 december 2000 (tweede geschil) tegen het besluit van verweerder van 12 december 2000 strekkende tot niet-inwilliging van de
aanvraag van verzoeker om toelating als vluchteling wegens kennelijke ongegrondheid, evenals de beslissing van verweerder om de uitzetting van verzoeker hangende de behandeling van dit beroep niet achterwege te laten. Het derde
geschil betreft het beroep van verzoeker van 13 december 2000 dat strekt tot opheffing van de aan verzoeker opgelegde vrijheidsontnemende maatregel ex art 7a Vw.
Bij mondelinge uitspraak van heeft de president:
- het beroep met toepassing van artikel 8:86 Awb Pro gegrond verklaard en de bestreden beschikking van 12 december 2000 vernietigd;
- verweerder opgedragen een nieuwe beschikking te nemen op de aanvraag van 10 december 2000;
- het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.
Bij mondelinge uitspraak van diezelfde datum heeft de rechtbank:
- het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel ex artikel 7a, tweede en derde lid, Vw gegrond verklaard en de opheffing van de maatregel van verzoeker bevolen met onmiddellijke ingang.
Omtrent het verzoek om schadevergoeding zal bij afzonderlijke uitspraak worden beslist.
In dit geval ziet de rechtbank aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten, zulks met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De kosten zijn op voet van het bepaalde in het bovengenoemde Besluit vastgesteld op ƒ 2.840,-- ( 1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift, 1 punt voor het beroepschrift ex artikel 34a Vw en 1 punt voor het
verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1). Aangezien ten behoeve van de vreemdeling een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb Pro de betaling van dit bedrag te
geschieden aan de griffier.
De president ziet tevens aanleiding om met toepassing van artikel 8:82, vierde lid, Awb, te bepalen dat verweerder aan verzoeker het zowel voor de beroepszaak als voor het verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht ad
telkens ƒ 50,-- zal vergoeden.
Aan deze beslissingen liggen de navolgende overwegingen ten grondslag.
De AC-procedure voorziet in een afdoening van asielverzoeken binnen 48 uur.
Deze procedure leent zich slechts voor die asielverzoeken waaromtrent binnen deze korte termijn procedureel en inhoudelijk naar behoren kan worden beslist.
De president is van oordeel dat van een zodanig verzoek geen sprake is. Daarbij is het volgende van belang.
De president overweegt dat de jurisprudentie ten aanzien van het bestaan van een verblijfsalternatief in Noord-Irak voor Chaldeeuwse christenen, afkomstig uit Centraal-Irak, verschilt. Op zichzelf heeft verweerder terecht ter
zitting verwezen naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Den Bosch van 27 oktober 2000 met kenmerk AWB 99/4427 VRWET. Daar staat echter tegenover de door gemachtigde van verzoeker
aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingplaats Zwolle van 20 oktober 2000 met kenmerk AWB 00/4178, 00/4179, 00/4180 VRWET.
Reeds daarom staat niet buiten iedere twijfel dat voldaan is aan de eisen om de zaak binnen het AC te kunnen afdoen.
Ten overvloede overweegt de president als volgt.
Namens verzoeker is naar voren gebracht dat de tijd die de rechtsbijstand is toebedeeld voor de voorbereiding van het nader gehoor weliswaar is overschreden, maar dat deze overschrijding is te compenseren door de kortere tijd die
besteed is aan de nabespreking van het nader gehoor. Door deze compensatie niet mee te nemen in de totale termijn van achtenveertig uur, die staat voor de AC-procedure, heeft verweerder deze termijn overschreden.
De president is van oordeel dat het beleid, zoals verwoord in hoofdstuk B7/3.2 Vreemdelingencirculaire 1994, niet voorziet in het compenseren van een overschrijding van de tijd die aan de rechtsbijstand is toebedeeld voor de
voorbereiding van het nader gehoor, met de tijd die is toebedeeld voor de nabespreking van het nader gehoor. Uit de beleidsregel, zoals geformuleerd in de bedoelde passage in hoofdstuk B7/3.2 Vreemdelingencirculaire (pocket Vc
Aanvulling 27, oktober 2000, p. 297, voorlaatste alinea) moet worden afgeleid dat de klok wordt stilgezet zodra de rechtsbijstand in enige fase van de procedure de haar toegemeten tijd overschrijdt. Hoewel de termijn die is
toebedeeld ter voorbereiding van het nader gehoor, is overschreden, is in onderhavig geval de bestreden beschikking tijdig door verweerder uitgereikt, gelet op het stilstaan van de klok gedurende de periode van overschrijding van de
tijd voor de voorbereiding van het nader gehoor.
Met betrekking tot de aan verzoeker opgelegde maatregel overweegt de rechtbank allereerst dat gesteld noch gebleken is dat de oplegging van de maatregel onrechtmatig is geweest.
Gelet op voormelde gegrondverklaring van het beroep is echter de grond voor de voortgezette toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel komen te ontbreken. Het beroep tegen de voortduring van de maatregel na de beslissing op de
aanvraag is derhalve gegrond.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal,
afschrift verzonden: 05 jan. 2001
RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.