ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1417
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Verbod op uitzetting tijdens bezwaarprocedure mvv-vereiste gezinsvorming en arbeid
Verzoeker, een Iraakse nationaliteit bezittende vreemdeling, had een aanvraag ingediend voor een voorlopige vergunning tot verblijf (vvtv) met het doel gezinsvorming bij zijn Nederlandse echtgenote en het verrichten van arbeid. Verweerder had de aanvraag buiten behandeling gesteld omdat verzoeker niet beschikte over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), terwijl hij niet was vrijgesteld van dit vereiste.
De president van de rechtbank oordeelde dat verweerder onjuist toepassing had gegeven aan artikel 16a, derde lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet, aangezien de vrijstelling voor asielzoekers geldt zolang de aanvraag om toelating nog niet onherroepelijk is beslist. Verzoeker had zijn aanvraag om verlening van een vvtv ingediend op een moment dat de beslissing op zijn asielaanvraag nog niet definitief was.
Daarom werd het bezwaar van verzoeker geacht een redelijke kans van slagen te hebben en werd verweerder verboden verzoeker uit Nederland te verwijderen zolang het bezwaar niet was afgedaan. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan verzoeker.
Uitkomst: De uitzetting van verzoeker wordt verboden zolang het bezwaar tegen de intrekking van zijn voorlopige verblijfsvergunning niet is beslist.