ECLI:NL:RBSGR:2000:AB1562
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Beoordeling intrekking voorwaardelijke vergunning tot verblijf Iraakse asielzoeker met vestigingsalternatief Noord-Irak
Eiser, een Iraakse asielzoeker die sinds 1998 in Nederland verblijft, had een aanvraag ingediend voor toelating als vluchteling en een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden. Deze aanvraag werd afgewezen, maar hem werd een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (vvtv) verleend, die later werd ingetrokken. Eiser maakte bezwaar tegen deze intrekking, maar dit bezwaar werd ongegrond verklaard. Vervolgens stelde hij beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank overwoog dat de Rechtseenheidskamer Vreemdelingenzaken (REK) in eerdere uitspraken had geoordeeld dat Noord-Irak voor bepaalde groepen Irakezen als binnenlands vestigingsalternatief kan gelden. De rechtbank stelde dat de beoordeling of Noord-Irak als vestigingsalternatief geldt, in de bezwaarprocedure moet plaatsvinden en niet in deze beroepsprocedure. Eiser stelde dat hij tot de Arabische bevolkingsgroep behoort en uit Bagdad komt, en dat Noord-Irak voor hem geen veilig woongebied is, maar de rechtbank volgde dit niet.
De rechtbank concludeerde dat de intrekking van de vvtv op goede gronden is gebaseerd en verklaarde het beroep ongegrond. Er werden geen kosten aan een partij toegewezen en tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de voorwaardelijke vergunning tot verblijf wordt ongegrond verklaard.