ECLI:NL:RBSGR:2001:AA9602
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige oplegging vrijheidsontnemende maatregel wegens onduidelijkheid uitstel van vertrek
De vreemdeling, lid van een gezin dat uitstel van vertrek had gekregen in verband met een strafrechtelijk onderzoek naar een vermeende verkrachting, werd in bewaring gesteld op grond van artikel 26 van Pro de Vreemdelingenwet. De vreemdeling betoogde dat het uitstel van vertrek nog steeds van kracht was en dat de maatregel disproportioneel en onrechtmatig was, zeker na het indienen van een aanvraag voor een verblijfsvergunning.
Verweerder stelde dat het uitstel van vertrek slechts gold gedurende het strafrechtelijk onderzoek, dat eind november 1998 werd beëindigd. De vreemdeling en haar gemachtigde zouden hiervan op de hoogte zijn gesteld via een contactpersoon. De rechtbank stelde vast dat het uitstel van vertrek niet schriftelijk was ingetrokken en dat de vreemdeling niet persoonlijk of via haar gemachtigde was geïnformeerd over het einde van het uitstel.
De rechtbank overwoog dat het niet schriftelijk intrekken van het uitstel van vertrek in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en dat de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel daarom niet gerechtvaardigd was. De maatregel werd opgeheven met ingang van 17 januari 2001. Over het verzoek om schadevergoeding en proceskosten zou later worden beslist.
Uitkomst: De maatregel van bewaring ex artikel 26 Vw wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid.