ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0681

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
5 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 00/427
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • C.E. Dettmeijer-Vermeulen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 32 VwArt. 33a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor verblijf alleenstaande vrouw uit Somalië

Verzoekster, een Somalische vrouw behorend tot de minderheidsgroepering Reer Brawa, heeft een aanvraag tot vluchtelingstatus ingediend die is afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Zij heeft bezwaar gemaakt tegen deze afwijzing en verzocht om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar is beslist.

De president van de rechtbank overweegt dat verzoekster, hoewel traditioneel gehuwd, feitelijk als alleenstaande vrouw moet worden beschouwd omdat zij niet weet waar haar echtgenoot verblijft. Volgens werkinstructie 224 kunnen alleenstaande vrouwen onder bepaalde omstandigheden in aanmerking komen voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.

Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom verzoekster niet tot deze groep gerekend kan worden. Gezien het feit dat haar echtgenoot in een onveilig deel van Somalië woont en zij bij terugkeer naar het relatief veilige gedeelte als alleenstaand zal worden beschouwd, acht de president het verzoek tot voorlopige voorziening gegrond.

De president wijst het verzoek toe, veroordeelt verweerder in de proceskosten en gelast vergoeding van het griffierecht. Hiermee wordt verzoekster toegestaan de behandeling van haar bezwaarschrift in Nederland af te wachten zonder uitzetting.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopige voorziening wordt toegewezen zodat verzoekster als alleenstaande vrouw de behandeling van haar bezwaarschrift in Nederland mag afwachten.

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer
Nevenzittingsplaats Dordrecht
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 33a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 00/427 VRWET
Inzake : A, verzoekster, woonplaats kiezende ten kantore van haar gemachtigde, mr J.J. Bronsveld, , advocaat te Bergen op Zoom,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr C. Eijkelhof, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Verzoekster, geboren op [...] 1977, bezit de Somalische nationaliteit. Zij verblijft sedert 23 juni 1999 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 27 juni 1999 heeft zij een aanvraag ingediend om
toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 16 september 1999 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Verzoekster heeft tegen dit besluit een
bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw Pro bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.
2. Op 12 januari 2000 heeft verzoekster de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op haar bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek.
3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op
31 januari 2000. De gemachtigden van verzoekster en verweerder zijn ter zitting verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is
ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de beslissing op
het verzoek meebrengt dat een oordeel wordt gegeven in de bodemprocedure, draagt dat oordeel een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.
In het kader van de uitzetting moet daarbij worden getoetst aan artikel 32, eerste lid, Vw. Ingevolge deze bepaling blijft uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, achterwege indien de vreemdeling een aanvraag
heeft gedaan, als bedoeld in artikel 15, tenzij er in redelijkheid geen twijfel over kan bestaan dat geen gevaar bestaat voor vervolging als omschreven in dat artikel.
2. Verzoekster stelt dat zij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.
Daartoe heeft zij onder meer het volgende aangevoerd. Verzoekster behoort tot een kleine stam, de Reer Brawa. Verzoekster wilde sinds het uitbreken van de gevechten Somalië verlaten. Haar zuster is in 1991 door een verdwaalde kogel
geraakt. Verzoekster is persoonlijk niet bij de gevechten betrokken geraakt en haar is verder nooit iets overkomen.
Namens verzoekster wordt benadrukt dat zij weliswaar traditioneel gehuwd is, maar zij niet weet waar haar echtgenoot thans verblijft en zij dus feitelijk als gescheiden vrouw moet worden beschouwd.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekster niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven. Voorts stelt verweerder dat verzoekster traditioneel gehuwd is en derhalve niet kan
worden beschouwd als behorend tot de groep weduwen of ongehuwde of gescheiden vrouwen. Zij komt deswege dus niet in aanmerking voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen.
4. De president overweegt het volgende.
Verzoekster beoogt met het onderhavige verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening dat zij de behandeling van het bezwaarschrift hier te lande mag afwachten. De president is van oordeel dat dit reeds aan verzoekster dient
te worden toegestaan om de hiernavolgende redenen, eventuele andere aanspraken op verblijf hier te lande blijven dan ook onbesproken.
Niet in geschil is dat verzoekster behoort tot een minderheidsgroepering, te weten de Reer Brawa. Voorts is niet in geschil dat een eventueel vestigingsalternatief voor verzoekster slechts is gelegen in het relatief veilige gedeelte
van Somalië. Evenmin is in geschil dat de laatstbekende verblijfplaats van de echtgenoot van verzoekster, met wie zij naar gesteld traditioneel is gehuwd, Baraawe is, zijnde een plaats niet gelegen in het eerderbedoeld relatief
veilige gedeelte van Somalië.
De president is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom verzoekster niet kan worden gerekend tot de groep alleenstaande vrouwen, welke vrouwen, blijkens verweerders werkinstructie 224 van 21 april 2000,
onder bepaalde omstandigheden in aanmerking kunnen komen voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen. De president begrijpt het beleid van verweerder aldus - en heeft ter zitting van verweerder geen andere uitleg vernomen -
dat het alleenstaande aspect, dat deze categorie vrouwen immers gemeenschappelijk hebben, het kernpunt vormt om voor een vergunning tot verblijf zonder beperkingen in aanmerking te kunnen komen. Gelet hierop valt niet in te zien dat
verzoekster, bij terugkeer naar het relatief veilige gedeelte van Somalië, niet als alleenstaand zal worden beschouwd zoals ongehuwde vrouwen, weduwen of gescheiden vrouwen behorend tot de minderheidsgroeperingen die blijkens het
algemeen ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken d.d. 16 februari 2000 en de brief van 3 april 2000 van de Staatssecretaris van Justitie aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal (TK 19637, nr. 520),
indien naaste familie ontbreekt bij vestiging in het relatief veilige deel van Somalië in een zeer moeilijke situatie terecht zouden komen.
5. De president ziet in dit geval aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek redelijkerwijs
heeft moeten maken. Deze kosten zijn op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,-
(1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van f 710,- en wegingsfactor 1).
III. BESLISSING:
De president:
1. wijst het verzoek toe;
2. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad f 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie) als rechtspersoon die deze kosten aan verzoekster dient te vergoeden;
3. gelast dat de Staat der Nederlanden als rechtspersoon het door verzoeker betaalde griffierecht ad f 50,- vergoedt.
Aldus gedaan door mr C.E. Dettmeijer-Vermeulen en uitgesproken in het openbaar op 5 februari 2001, in tegenwoordigheid van mr P.M. Beishuizen, griffier.
afschrift verzonden op: 9 februari 2001