ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0890
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.P.C.G. Derksen
- C. Lely-van Goch
- J.J. Catsburg
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van bewaring en uitzetting van vreemdeling onder overgangsrecht Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling is op 12 maart 2001 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 1994 vanwege een gelaste uitzetting en het belang van de openbare orde. Met de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 op 1 april 2001 is de oude wet ingetrokken, maar de rechtbank stelt vast dat de rechtmatigheid van de bewaring tot die datum moet worden beoordeeld aan de hand van het materiële recht zoals dat tot die datum gold.
De rechtbank interpreteert artikel 121, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 als een overgangsbepaling die alleen betrekking heeft op procesrechtelijke bepalingen en niet op het materiële recht. De voortzetting van de bewaring na 1 april 2001 moet worden getoetst aan de Vreemdelingenwet 2000, waarbij artikel 59, eerste lid, de grondslag vormt. De rechtbank concludeert dat de gronden voor inbewaringstelling onder de oude en nieuwe wet materieel gelijk zijn.
De vreemdeling voerde aan dat er sprake was van een onrechtmatige vermenging van strafrechtelijk en vreemdelingenrechtelijk traject en dat de presentatie bij de Marokkaanse autoriteiten onjuist was, wat zou leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank oordeelt dat deze stellingen niet aannemelijk zijn en dat verweerder voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting.
Verder stelt de rechtbank dat uitzetting als bestuursdwang moet worden gezien en dat de last tot uitzetting onder de nieuwe wet gelijkgesteld kan worden met die onder de oude wet. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.