ECLI:NL:RBSGR:2001:AB0891
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.P.C.G. Derksen
- C. Lely-van Goch
- J.J. Catsburg
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid van bewaring en uitzetting vreemdeling onder overgangsrecht Vreemdelingenwet 2000
De zaak betreft een vreemdeling die op 21 maart 2001 in bewaring is gesteld op grond van de toen geldende Vreemdelingenwet (Vw) en die na de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) op 1 april 2001 nog steeds in bewaring verbleef. De rechtbank moest beoordelen welk recht van toepassing is op de rechtmatigheid van deze bewaring en de voortzetting ervan.
De rechtbank stelt vast dat het overgangsrecht van artikel 121, tweede lid, Vw 2000 uitsluitend betrekking heeft op procesrechtelijke bepalingen en niet op materieel recht. Hierdoor moet de rechtmatigheid van de inbewaringstelling tot 1 april 2001 worden beoordeeld aan de hand van het materiële recht zoals dat vóór de inwerkingtreding van de Vw 2000 gold. Voor de voortzetting van de bewaring na 1 april 2001 is de Vw 2000 van toepassing.
De rechtbank onderzoekt de formele en materiële rechtmatigheid van de bewaring. De formele bezwaren, zoals vermeende te late melding aan de piketcentrale en taalproblemen bij het verhoor, worden verworpen. Materieel is de bewaring gerechtvaardigd vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf, het ontbreken van geldige identiteitspapieren, het risico op ontduiking van uitzetting en het belang van de openbare orde.
Verder wordt de uitleg van artikel 63, eerste lid, Vw 2000 besproken. De rechtbank concludeert dat deze bepaling niet beperkt is tot vreemdelingen met een meeromvattende beschikking, maar dat ook illegale vreemdelingen uitgezet kunnen worden en in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vw Pro 2000. Uitzetting wordt aangemerkt als bestuursdwang in de zin van artikel 5:21 Awb Pro.
De rechtbank oordeelt dat de voortzetting van de bewaring na 1 april 2001 niet onrechtmatig is en dat er geen reden is tot toekenning van schadevergoeding. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.