ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1130
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en binnentreden prostitutiepand in vreemdelingenzaak
De vreemdelinge, een Albanese vrouw, werd op 26 januari 2001 in bewaring gesteld wegens vermoedelijk illegaal verblijf en het gebruik van vervalste identiteitspapieren. Zij bood haar diensten als prostituee aan in een pand te Amsterdam. De verbalisanten traden het pand binnen om haar identiteit te controleren op grond van artikel 151a van de Gemeentewet en de APV Amsterdam.
De vreemdelinge stelde dat het binnentreden onrechtmatig was omdat er geen concrete aanwijzingen waren voor illegaal verblijf en dat de voorschriften van de APV Amsterdam dit niet toestonden. De rechtbank oordeelde echter dat de bevoegdheid tot inzage van identiteitsdocumenten aan de verbalisanten toekwam en dat het binnentreden niet lukraak was. Het gebruik van een kennelijk vervalst paspoort vormde een redelijk vermoeden van een strafbaar feit, waardoor haar aanhouding en bewaring gerechtvaardigd waren.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring op een juiste juridische grondslag berustte, mede omdat de vreemdelinge niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning en zich vermoedelijk aan uitzetting zou onttrekken. Verder werd geoordeeld dat de procedure voortvarend verliep en dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen grond om de bewaring op te heffen of proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.