ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1130

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
8 februari 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/3593
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 151a GemeentewetArt. 6.9 APV AmsterdamArt. 1 Wet op de identificatieplichtArt. 26 VreemdelingenwetArt. 19 Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid bewaring en binnentreden prostitutiepand in vreemdelingenzaak

De vreemdelinge, een Albanese vrouw, werd op 26 januari 2001 in bewaring gesteld wegens vermoedelijk illegaal verblijf en het gebruik van vervalste identiteitspapieren. Zij bood haar diensten als prostituee aan in een pand te Amsterdam. De verbalisanten traden het pand binnen om haar identiteit te controleren op grond van artikel 151a van de Gemeentewet en de APV Amsterdam.

De vreemdelinge stelde dat het binnentreden onrechtmatig was omdat er geen concrete aanwijzingen waren voor illegaal verblijf en dat de voorschriften van de APV Amsterdam dit niet toestonden. De rechtbank oordeelde echter dat de bevoegdheid tot inzage van identiteitsdocumenten aan de verbalisanten toekwam en dat het binnentreden niet lukraak was. Het gebruik van een kennelijk vervalst paspoort vormde een redelijk vermoeden van een strafbaar feit, waardoor haar aanhouding en bewaring gerechtvaardigd waren.

De rechtbank concludeerde dat de bewaring op een juiste juridische grondslag berustte, mede omdat de vreemdelinge niet beschikte over een geldige verblijfsvergunning en zich vermoedelijk aan uitzetting zou onttrekken. Verder werd geoordeeld dat de procedure voortvarend verliep en dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn.

Het beroep tegen de bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er was geen grond om de bewaring op te heffen of proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 34a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/3593 VRWET
Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Zwolle, hierna te noemen de vreemdelinge,
gemachtigde mr. W.M. Blaauw, advocaat te Amsterdam,
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. F. Lijffijt, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdelinge stelt te zijn geboren op [...] 1982 en de Albanese nationaliteit te hebben.
Op 26 januari 2001 is de vreemdelinge in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet (Vw).
2. Op 29 januari 2001 heeft de vreemdelinge tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld en daarbij tevens verzocht om toekenning van schadevergoeding.
3. Openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 6 februari 2001. De vreemdelinge is aldaar verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was
aanwezig Ing. D. Bylyku-Hasani, tolk in de Albanese taal.
II. OVERWEGINGEN
1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onderhavige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet
gerechtvaardigd is te achten.
2. Namens de vreemdelinge is aangevoerd dat er geen concrete aanwijzingen bestonden omtrent illegaal verblijf. De verbalisanten zijn derhalve op onrechtmatige wijze binnengetreden in het pand waar de vreemdelinge zich op dat moment
bevond. De gemachtigde van de vreemdelinge is van mening dat er niet lukraak naar binnen getreden mag worden ter controle van de identiteit van betrokken personen. De gemachtigde wijst op de strekking van artikel 6.9 van de Algemeen
Plaatselijke Verordening Amsterdam (hierna: APV Amsterdam).
3. Namens verweerder is aangevoerd dat de verbalisanten ten alle tijde op grond van artikel 151a, tweede lid, Gemeentewet (titel III, hoofdstuk IX) bevoegd zijn prostituees inzage te vorderen van documenten waaruit de identiteit van
betrokkene kan blijken. Hierna is pas gebleken dat er concrete aanwijzingen bestonden omtrent het illegaal verblijf van de vreemdelinge.
4. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op rechtmatige wijze zijn toegepast.
Artikel 151a, eerste en tweede lid, Gemeentewet in werking getreden op 1 oktober 2000 luidt:
1. De raad kan een verordening vaststellen waarin voorschriften worden gesteld met betrekking tot het bedrijfsmatig geven van gelegenheid tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling.
2. De ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht uit te oefenen op de naleving van de in het eerste lid bedoelde voorschriften, zijn bevoegd van degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met
een derde tegen betaling, inzage te vorderen van een document als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht.
De voorschriften bedoeld in het eerste lid zijn neergelegd in artikel 6.9 van de APV Amsterdam, in werking getreden op 1 oktober 2000.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vreemdelinge op 25 januari 2001 te 23.50 uur achter een van de ramen van een bordeel gevestigd aan de [...]straat 27 beneden, te Amsterdam, haar diensten als prostituee aanbood.
Onder die omstandigheden waren de verbalisanten op grond van artikel 151a, tweede lid, Gemeentewet bevoegd van de vreemdelinge inzage te vorderen van een document als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht. Aan
die bevoegdheid doet niet af dat overeenkomstig artikel 151a, eerste lid, Gemeentewet in artikel 6.9 APV Amsterdam voorschriften zijn gesteld die zich richten tot de exploitant en de beheerder van een prostitutiebedrijf. De grief
waarbij wordt gesteld dat het lukraak binnentreden van het pand alwaar de vreemdelinge zich bevond onrechtmatig zou zijn, treft geen doel. Aangezien de vreemdelinge zich legitimeerde met een kennelijk vervalst Grieks paspoort
vloeide hieruit een redelijk vermoeden voort dat de vreemdelinge zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit. Gelet op het bepaalde in artikel 52 jo Pro. artikel 27 van Pro het Wetboek van Strafvordering bestond derhalve
de bevoegdheid haar aan te houden.
Aangezien hierna is gebleken van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Vw, is de vreemdelinge na de beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek terecht staande gehouden en opgehouden
ingevolge die bepaling.
5. De rechtbank is voorts van oordeel dat de inbewaringstelling van de vreemdelinge, wier uitzetting is gelast, op een juiste grondslag berust. Uit de stukken is immers gebleken dat de vreemdelinge niet beschikt over een geldige
titel tot verblijf, niet in het bezit is van een geldig identiteitsbewijs, niet beschikt over voldoende middelen van bestaan en zich hier te lande bediende van valse identiteitspapieren. Gelet hierop bestaat ten aanzien van haar
het ernstige vermoeden dat zij zich aan uitzetting zal onttrekken.
Bovendien wordt de vreemdelinge verdacht van het plegen van een strafbaar feit.
6. De rechtbank is tevens van oordeel en dat verweerder voldoende voortvarend te werk gaat en dat voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat. De vreemdelinge heeft immers te kennen gegeven alle medewerking
te zullen verlenen aan een spoedige uitzettingsprocedure. Verweerder zal binnen afzienbare tijd een nieuwe datum plannen om de vreemdeling de presentatieformulieren te laten invullen. Het oorspronkelijk geplande gehoor op 30 januari
2001 had wegens het ontbreken van een tolk in de Albanese taal geen doorgang kunnen vinden. Er is vooralsnog geen grond om aan te nemen dat het komende onderzoek geen positief resultaat zal hebben.
7. Niet is gebleken dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de bewaring ten aanzien van de vreemdelinge in strijd is met de Vreemdelingenwet dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid
ongerechtvaardigd is te achten.
8. Het beroep is derhalve ongegrond. De bewaring wordt niet opgeheven. Er bestaat derhalve geen grond voor het toekennen van schadevergoeding, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.
9. Van omstandigheden op grond waarvan een van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
RECHT DOENDE:
1. Verklaart het beroep ongegrond;
2. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open voorzover het betreft het beroep tegen het bevel tot in bewaringstelling. Voorzover het betreft de beslissing op het verzoek om schadevergoeding staat tegen deze uitspraak
hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen
van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage.
Aldus gedaan door mr. G.P. Kleijn en uitgesproken in het openbaar op
8 februari 2001, in tegenwoordigheid van C.K. Wong, griffier.
afschrift verzonden op: