ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1144
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- E.H.B.M. Potters
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdelinge zonder concrete aanwijzingen illegaal verblijf
De vreemdelinge werd op 7 januari 2001 in bewaring gesteld na een staandehouding door de politie bij een bemiddelingsactie op straat. De politie vroeg haar naar haar identiteit, constateerde het ontbreken van legitimatie en hield haar staande op grond van artikel 19, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw). De rechtbank stelde vast dat voorafgaand aan de staandehouding geen concrete aanwijzingen van illegaal verblijf bestonden, en dat de politie geen wettelijke bevoegdheid had om de vreemdelinge te identificeren. De Wet op de identificatieplicht (WID) bevat een exclusief stelsel en er was geen formele wet die de politie hiertoe bevoegd maakte.
De rechtbank concludeerde dat de staandehouding in strijd was met artikel 19 Vw Pro en dat de daarop volgende bewaring eveneens onrechtmatig was. Daarom werd de bewaring opgeheven met ingang van 23 januari 2001. Tevens werd een schadevergoeding toegekend van in totaal f 2800,-- voor de periode van de bewaring, conform de richtlijn van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Daarnaast werd de Staat veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van f 1420,--. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor het deel inzake de schadevergoeding.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdelinge werd opgeheven wegens onrechtmatige staandehouding en er werd een schadevergoeding van f 2800,-- toegekend.