ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1171
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.Th. Drop
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende bewijs van vluchtelingenstatus en juiste procedure bij ambtelijke hoorzitting
Eiser, een Iraakse nationaliteit dragende vreemdeling, verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning op humanitaire gronden. Zijn aanvragen werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid en inhoudelijke afwijzing. Eiser stelde dat het horen door een ambtelijke commissie in strijd was met artikel 7:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde dat de voorzitter van de commissie ook de beslissing ondertekende, maar dat de meerderheid van de commissie, waaronder de rapporteur, niet bij de besluitvoorbereiding betrokken was. Er was geen sprake van vooringenomenheid of benadeling van eiser.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de vluchtelingenstatus van eiser aan de hand van het Vluchtelingenverdrag en concludeerde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij gegronde vrees had voor vervolging. Zijn tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van geloofwaardige feiten ondermijnden zijn relaas. Ook was niet aannemelijk dat hij als belangrijk tegenstander van de KDP werd gezien. De rechtbank vond geen strijd met artikel 3 EVRM Pro bij gedwongen terugkeer en zag geen humanitaire redenen voor verblijf.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees zij de vordering af. Er werden geen kosten aan partijen opgelegd. De uitspraak is definitief en werd op 31 januari 2001 uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.