ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1177
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating en voorlopige voorziening alleenstaande minderjarige asielzoeker uit Irak
Verzoeker, een alleenstaande minderjarige asielzoeker uit Irak, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling in Nederland. De Staatssecretaris van Justitie wees deze aanvraag af, waarna verzoeker bezwaar maakte en tevens een voorlopige voorziening vroeg om uitzetting te voorkomen totdat op het bezwaar was beslist.
De rechtbank overwoog dat de situatie in Irak niet zodanig is dat vreemdelingen uit dat land zonder meer als vluchteling kunnen worden aangemerkt. Verzoeker slaagde er niet in aannemelijk te maken dat hij persoonlijk gegronde vrees heeft voor vervolging wegens de in het Verdrag van Genève genoemde gronden. Ook werd geen reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 EVRM Pro vastgesteld.
Hoewel het beleid inzake alleenstaande minderjarige asielzoekers voorschrijft dat de wettelijke vertegenwoordiger wordt geïnformeerd over het moment van uitreiking van besluiten, was dit in deze zaak niet gebeurd. De rechtbank oordeelde dat dit niet leidt tot onrechtmatigheid van het besluit, mede omdat verzoeker niet is geschaad door het ontbreken van deze kennisgeving.
Het beleid dat opvang wordt geboden aan alleenstaande minderjarige asielzoekers totdat uitzetting wordt geëffectueerd, tast de rechtmatigheid van het besluit niet aan. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat geen aanleiding bestond om de uitzetting op te schorten.
Uitkomst: Het bezwaar tegen afwijzing toelating en het verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; uitzetting mag doorgaan.