ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1178

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
19 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/9203
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • T.M.A. Claessens
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:84 AwbArt. 15c VwArt. 32 VwArt. 33a Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag en voorlopige voorziening minderjarige Sudanese asielzoeker

Verzoeker, een minderjarige Sudanese asielzoeker, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling. Deze aanvraag werd op 3 maart 2001 door verweerder afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid, omdat verzoeker geen geloofwaardige documenten of verklaringen kon overleggen. Verzoeker stelde dat hij tot de Nuba-stam behoorde en gevlucht was vanwege dreiging tot gevangenneming na het overlijden van zijn verzorgers.

De rechtbank overwoog dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij de Sudanese nationaliteit bezit en dat er geen reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer bestaat, conform artikel 3 EVRM Pro. Het speciale beleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama-beleid) was van toepassing, maar gaf geen recht op toelating vanwege ongeloofwaardige verklaringen.

Hoewel de uitreiking van de beschikking niet volledig volgens het ama-beleid was verlopen, was niet gebleken dat verzoeker daardoor juridisch in zijn belangen was geschaad. Het recht op opvang volgens het beleid laat onverlet dat verzoeker Nederland onmiddellijk moet verlaten. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen; verzoeker moet Nederland onmiddellijk verlaten.

Uitspraak

President van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:84 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 33a en 33b Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr: AWB 01/9203 VRWET
Inzake: A, verzoeker, woonplaats kiezende ten kantore van zijn gemachtigde, mr. D.R. Burgio, Stichting Rechtsbijstand Asiel te 's-Hertogenbosch,
tegen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. J.A.C. Verbeek, ambtenaar ten departemente te Den Haag.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. Verzoeker, geboren op [...] 1985, stelt de Sudanese nationaliteit te bezitten. Hij verblijft sedert 18 februari 2001 als vreemdeling in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) in Nederland. Op 1 maart 2001 heeft hij een aanvraag
ingediend om toelating als vluchteling. Hierop is door verweerder op 3 maart 2001 afwijzend beslist. De aanvraag om toelating als vluchteling is niet ingewilligd wegens kennelijke ongegrondheid ervan. Verzoeker heeft tegen dit
besluit een bezwaarschrift ingediend. Verweerder heeft op grond van artikel 32 Vw Pro bepaald dat uitzetting gedurende de periode dat het bezwaar aanhangig is, niet achterwege zal worden gelaten.
2. Op 4 maart 2001 heeft verzoeker de president van de rechtbank verzocht een voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting achterwege te laten, totdat op zijn bezwaarschrift is beslist. Verweerder heeft de op de zaak
betrekking hebbende stukken ingezonden.
3. De openbare behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 15 maart 2001. Zowel verzoeker als verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
II. OVERWEGINGEN
1. Ingevolge artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is
ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Ingevolge artikel 33b Vw kan de president hangende de afdoening van het bezwaar of het administratief beroep na de behandeling van een tegen de uitzetting gerichte voorlopige voorziening tevens uitspraak doen in de hoofdzaak
betreffende de niet-toelating.
2. Verzoeker stelt dat hij in aanmerking komt voor toelating in Nederland.
Daartoe heeft hij onder meer aangevoerd dat hij afkomstig is uit Sudan en tot de Nuba-stam behoort. Voorts heeft hij gesteld minderjarig te zijn. Verzoekers moeder is overleden toen verzoeker nog zeer jong was. Hij is daarna
verzorgd door een vrouw genaamd B. Inmiddels zijn zowel verzoekers vader als zijn verzorgster B komen te overlijden. Volgens verzoeker behoorde zijn vader tot de Nuba-stam, maar sprak hij Engels met verzoeker. B behoorde tot de
Zanfara-stam en sprak Engels en Haussa met hem. Nadat zowel verzoekers vader als B waren gestorven, wilden naar zijn zeggen onbekenden hem gevangennemen. Verzoeker is op de vlucht gegaan en uiteindelijk in Nederland terechtgekomen.
3. Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoeker niet voor toelating in aanmerking komt en dat uitzetting niet achterwege hoeft te blijven.
De weigering verzoeker toe te laten als vluchteling is gebaseerd op artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw. Dit artikel bepaalt dat een aanvraag om toelating als vluchteling niet wordt ingewilligd wegens kennelijke
ongegrondheid ervan indien de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren, documenten of bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag om toelating, tenzij de
vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze documenten niet aan hem is toe te rekenen.
4. De president overweegt het volgende.
Vooreerst dient te worden opgemerkt dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker geenszins aannemelijk heeft weten te maken dat hij de gestelde Sudanese nationaliteit bezit. Namens verzoeker zijn noch in het
verzoek- en bezwaarschrift noch ter zitting hiertegen grieven aangevoerd. Ook overigens is de president niet gebleken dat het standpunt van verweerder in deze onjuist zou zijn.
5. Gelet op het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit terecht met toepassing van artikel 15c, eerste lid, aanhef en onder f, Vw heeft geweigerd verzoeker toe te laten als vluchteling.
6. Ingevolge artikel 3 Europees Pro Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), dient te worden beoordeeld of aannemelijk is dat betrokkene een reëel risico loopt te worden onderworpen aan
foltering, dan wel aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.
Gelet op rechtsoverweging 5 is niet aannemelijk geworden dat gedwongen terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst strijd oplevert met artikel 3 EVRM Pro, nu in het asielrelaas niet van problemen is gebleken.
7. Evenmin is gebleken van klemmende redenen van humanitaire aard op grond waarvan verweerder een vergunning tot verblijf in redelijkheid niet heeft kunnen onthouden.
De president stelt vast dat de minderjarigheid van verzoeker niet in het geding is, nu uit de conclusies van het leeftijdsonderzoek naar voren is gekomen dat rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van de geclaimde
minderjarigheid ten tijde van de asielaanvraag. Derhalve is het speciale toelatingsbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (ama-beleid), zoals neergelegd in TBV 2000/30 van 29 december 2000, op verzoekers aanvraag van
toepassing. Niet bestreden is dat verzoeker aan het ama-beleid geen aanspraak op toelating kan ontlenen, omdat hij over zijn identiteit, nationaliteit en vluchtmotieven volstrekt ongeloofwaardige verklaringen heeft afgelegd, zoals
verweerder in het bestreden besluit stelt.
8.1 In genoemde TBV wordt onder meer in paragraaf 13.8 aangegeven onder welke omstandigheden de beslissing op de asielaanvraag van de ama in een aanmeldcentrum (AC) kan worden genomen. In paragraaf 13.10 wordt gesteld dat in de
gevallen waarin de beschikking wordt uitgereikt, de korpschef contact opneemt met de wettelijk vertegenwoordiger teneinde hem/haar van te voren op de hoogte te stellen omtrent het moment van de uitreiking. Indien verblijf niet wordt
toegestaan komt de ama ingevolge het beleid neergelegd in paragraaf 13.11 van de genoemde TBV nog in aanmerking voor opvang in Nederland totdat het vertrek geëffectueerd wordt.
8.1.1 De gemachtigde van verzoeker heeft dienaangaande aangevoerd dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven, nu de uitreiking van de beschikking niet conform verweerders beleid, zoals neergelegd in paragraaf 13.10 van
bovengenoemde TBV, is geschied. Bovendien verbindt de gemachtigde van verzoeker hieraan de conclusie dat de beschikking alsnog op de juiste wijze dient te worden uitgereikt, waardoor de behandeling van verzoekers aanvraag door
toedoen van verweerder langer dan 48 procesuren in beslag zal hebben genomen en er derhalve niet langer sprake kan zijn van een AC-waardige zaak.
8.1.2 Vooreerst dient te worden opgemerkt dat niet in geschil is dat de uitreiking van de bestreden beschikking niet overeenkomstig hetgeen is verwoord in de TBV 2000/30, is geschied. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting
toegegeven dat de beslissing niet conform het beleid is uitgereikt, zij heeft echter betoogd dat verzoeker niet in zijn belangen is geschaad. Immers, het doel van de kennisgeving aan de wettelijk vertegenwoordiger is gelegen in het
gegeven dat tijdig rechtsmiddelen worden ingesteld. Volgens de gemachtigde van verweerder moet daarom aan de onregelmatigheid bij de uitreiking geen gevolgen worden verbonden.
De president betwijfelt of dat de enige doelstelling is die hiermede wordt beoogd. Naar zijn voorlopig oordeel is niet uit te sluiten dat met deze kennisgeving ook andere doelen zijn gediend, zoals het bieden van de mogelijkheid aan
de wettelijk vertegenwoordiger om de ama anders dan in juridische zin bij te staan bij de inontvangstneming van de beslissing en de verwerking van de gevolgen daarvan. Wat hier ook van zij, in het onderhavige geval is niet gebleken
noch aangevoerd dat verzoeker, door het niet in kennisstellen van een wettelijk vertegenwoordiger over het moment van uitreiking van de beslissing, in zijn belangen zodanig is geschaad, dat daaraan gevolgen in juridische zin
verbonden moeten worden.
De president is, maar dit ten overvloede, van oordeel dat verweerder de Stichting de Opbouw wel alsnog over verzoeker en diens procedure zal moeten informeren zodat begeleiding gedurende de periode dat verzoeker in opvang verblijft
mogelijk gemaakt wordt.
8.2 Voorts heeft de gemachtigde van verzoeker ten aanzien van de rechtsmiddelenclausule, zoals opgenomen in het voorblad van de beschikking, betoogd dat hierin ten onrechte is opgenomen dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te
verlaten, omdat uit paragraaf 13.11 van eerdergenoemde TBV volgt dat verzoeker nog in aanmerking komt voor opvang in Nederland, totdat het vertrek geëffectueerd wordt.
8.2.1 De president volgt de stelling van de gemachtigde van verzoeker niet, waar zij heeft betoogd dat uit het in paragraaf 13.11 van TBV 2000/30 genoemde recht op opvang volgt dat aan verzoeker uitstel van vertrek wordt verleend.
Immers, dat aan verzoeker opvang wordt geboden doet niet af aan het rechtsgevolg van de niet-inwilliging van de asielaanvraag, te weten dat verzoeker Nederland onmiddellijk dient te verlaten. Dit rechtsgevolg is overigens op het
voorblad van de beschikking vermeld. Enkel het gegeven dat verzoeker een ama is, maakt dat voornoemde opvang uit humanitair oogpunt wordt geboden zolang verzoeker nog niet vertrokken is en zulks laat zowel verweerders besluit
aangaande de toelating als verzoekers plicht Nederland te verlaten onverlet.
8.2.2 Ten aanzien van de bepleite wenselijkheid van het opnemen van een zinsnede aangaande voornoemd recht op opvang op het voorblad van de beschikking, stelt de president voorop dat het ontbreken van deze zinsnede de rechtmatigheid
van de beslissing niet aantast. Overigens heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting aangegeven dat de invoering van het nieuwe beleid in de praktijk aanvankelijk voor onduidelijkheden heeft gezorgd, die te wijten waren aan
onbekendheid bij medewerkers op het AC met de inhoud van de nieuwe TBV. De gemachtigde van verweerder heeft voorts aangegeven dat inmiddels meer alertheid is geboden. Gelet hierop gaat de president ervanuit dat deze problemen zich
niet meer zullen voordoen. Overigens is de president gebleken dat in geval van verzoeker de opvang conform de TBV is geboden.
9. Op grond van het vorenstaande is de president van oordeel dat verweerder terecht op grond van artikel 32, eerste lid, Vw heeft besloten de uitzetting van verzoeker niet achterwege te laten. Nu voorts nader onderzoek naar het
oordeel van de president redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, wordt het bezwaar met toepassing van artikel 33b Vw ongegrond verklaard.
Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond voor het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Algemene Pro wet bestuursrecht.
10. Van omstandigheden op grond waarvan één der partijen moet worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte kosten is de president niet gebleken.
III. BESLISSING
De president:
RECHT DOENDE:
1. verklaart het bezwaar ongegrond;
2. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.
Aldus gedaan door mr. T.M.A. Claessens en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2001, in tegenwoordigheid van mr. E. Witvoet, griffier.
afschrift verzonden op: