ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1211
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Bevestiging rechtmatigheid voorlopige vreemdelingenbewaring ondanks lopend drie-jaren-beleid verzoek
De vreemdeling, met de Joegoslavische nationaliteit, werd op 15 december 2000 aangehouden op verdenking van meerdere woninginbraken en verbleef sindsdien in strafrechtelijke detentie. Op 27 februari 2001 werd een voorlopig bevel tot vreemdelingenbewaring uitgevaardigd. De vreemdeling had op 24 januari 2001 een verzoek ingediend voor een vergunning tot verblijf op grond van het drie-jaren-beleid.
De rechtbank stelde vast dat het voorlopige bevel tot bewaring rechtmatig was, omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsvergunning of identiteitsbewijs had, niet over voldoende middelen van bestaan beschikte en er een ernstig vermoeden bestond dat hij zich aan uitzetting zou onttrekken. Daarnaast woog mee dat hij verdacht werd van strafbare feiten en meerdere criminele antecedenten had.
De rechtbank verwierp het argument van de vreemdeling dat het bevel tot bewaring opgeheven moest worden totdat op zijn aanvraag was beslist. Verweerder had toegezegd uiterlijk 27 maart 2001 op de aanvraag te zullen beslissen. De rechtbank vond het belang van de openbare orde en het voorkomen van hernieuwde illegaliteit zwaarder wegen dan het belang van de vreemdeling.
Het beroep tegen het voorlopige bevel tot bewaring werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak is geen gewoon rechtsmiddel openstaand voor het beroep tegen het bevel tot inbewaringstelling.
Uitkomst: Het voorlopige bevel tot vreemdelingenbewaring wordt gehandhaafd en het beroep ongegrond verklaard.