ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1306
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak Iraakse Koerd
Verzoeker, een Iraakse Koerd, diende in 1997 een aanvraag in voor toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning om humanitaire redenen. Na afwijzing en diverse procedures, waaronder een ongegrond verklaard bezwaar en beroep, werd zijn voorwaardelijke vergunning tot verblijf ingetrokken. In 2001 verzocht hij om heroverweging van de afwijzing van zijn vluchtelingenaanvraag en diende hij een bezwaarschrift in tegen de fictieve weigering van de staatssecretaris om op dat verzoek te beslissen.
De president van de rechtbank oordeelde dat de beslistermijn van zes maanden uit de Vreemdelingenwet 2000, of een redelijke termijn volgens de Algemene wet bestuursrecht, nog niet was verstreken ten tijde van het indienen van het beroepschrift. De langdurige hongerstaking van verzoeker deed hieraan niet af. Verweerder had bovendien aangegeven spoedig te zullen beslissen.
Omdat het beroepschrift te vroeg was ingediend en geen sprake was van een spoedeisend belang, werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het verzoek om ontheffing van de vertrekplicht of behandeling als rechtmatig verblijfhebbende werd afgewezen. De president wees erop dat verzoeker zich tot het COA kan wenden voor opvang op medische gronden en dat hij tegen besluiten van het COA rechtsmiddelen kan aanwenden.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.