ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1310
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoeker, een Iraakse vreemdeling, diende in 1999 een asielaanvraag in die werd afgewezen. Na bezwaar en beroep werd het beroep in 2000 ongegrond verklaard. In 2001 vroeg verzoeker heroverweging van de afwijzing en diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
Verzoeker verzocht de president van de rechtbank om een voorlopige voorziening die hem ontheffing zou verlenen van de vertrekplicht uit Nederland, dan wel behandeling als rechtmatig verblijvende, in afwachting van de beslissing op bezwaar. De president oordeelde dat geen sprake was van onverwijlde spoed en dat de beslistermijn nog niet was verstreken.
De president concludeerde dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat het was ingediend voor het begin van de beroepstermijn en dat nader onderzoek niet zou bijdragen aan de beoordeling. Het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen. Partijen werd gewezen op de mogelijkheid tot hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.