ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1311
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- M.A.A. Mondt-Schouten
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep en afwijzing verzoek voorlopige voorziening in vreemdelingenzaak
Verzoeker, een Iraakse vreemdeling die sinds oktober 1998 in Nederland verblijft, diende een aanvraag in voor toelating als vluchteling, welke op 23 maart 1999 werd afgewezen. Na bezwaar en een eerdere afwijzing van een voorlopige voorziening, vroeg verzoeker in april 2001 heroverweging van de afwijzing en een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
De president van de rechtbank overwoog dat verzoeker als uitgeprocedeerde asielzoeker geldt en dat het ingediende bezwaarschrift als beroepschrift moet worden aangemerkt. De rechtbank concludeerde dat de beslistermijn niet was verstreken en dat er geen sprake was van onverwijlde spoed, mede omdat verzoeker niet met uitzetting op korte termijn werd bedreigd.
Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Verzoeker kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.