ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1390
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep en voorlopige voorziening tegen vrijheidsontneming en weigering vluchtelingenstatus
Verzoekster, een Congolese vrouw, werd de toegang tot Nederland ontzegd en op grond van de oude Vreemdelingenwet 1994 een plaats aangewezen waar zij zich moest ophouden. Zij verzocht om toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning, welke verzoeken werden afgewezen door de Staatssecretaris van Justitie. Verzoekster stelde dat zij gegronde vrees voor vervolging had vanwege haar familiegeschiedenis en persoonlijke ervaringen, waaronder verkrachting door militairen.
De rechtbank oordeelde dat de oude wetgeving van toepassing bleef vanwege de datum van het primaire besluit en dat de vrijheidsontneming op basis van de oude artikelen 6 en 7a Vw 1994 geacht moest worden te rusten op de nieuwe artikelen 3 en 6 Vw 2000. De rechtbank vond dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij bij terugkeer gevaar liep voor vervolging of schending van artikel 3 EVRM Pro.
Daarnaast werd geoordeeld dat de AC-procedure geschikt was voor de beoordeling van haar asielverzoek en dat het nader onderzoek geen nieuwe inzichten zou opleveren. De rechtbank wees ook het beroep tegen de vrijheidsontnemende maatregel en het verzoek om schadevergoeding af. Tot slot werd vastgesteld dat geen proceskosten aan een partij werden toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening af en verklaart het beroep tegen de vrijheidsontneming ongegrond.