ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1412
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling wegens ontbreken concrete aanwijzingen illegaal verblijf
Op 1 maart 2001 werd een vreemdeling van Chinese afkomst staande gehouden nadat een man met een vermoedelijk vervalst Portugees paspoort de Belastingdienst had benaderd. De vreemdeling werd gevraagd zich te legitimeren, maar kon dit niet. Vervolgens werd hij meegenomen naar de Vreemdelingendienst, waar hij zich meldde en zijn spullen moesten worden gecontroleerd. De vreemdeling vluchtte echter uit het gebouw en werd na een korte achtervolging opnieuw staande gehouden op grond van artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet (Vw).
De rechtbank overweegt dat voor een rechtmatige staandehouding op grond van artikel 19 Vw Pro concrete aanwijzingen over illegaal verblijf vereist zijn. In deze zaak ontbraken dergelijke aanwijzingen. Het niet kunnen tonen van legitimatie, een slechte beheersing van de Nederlandse taal en het weglopen uit het politiebureau zijn volgens vaste rechtspraak onvoldoende als concrete aanwijzingen. Ook de combinatie van deze factoren en de gebeurtenissen bij de Vreemdelingendienst leverden geen concrete aanwijzingen op.
Daarom oordeelt de rechtbank dat de staandehouding in strijd was met artikel 19, eerste lid, Vw en dat de daarop volgende ophouding en inbewaringstelling eveneens onrechtmatig waren. De bewaring wordt per 14 maart 2001 opgeheven. De vreemdeling krijgt een schadevergoeding toegekend van in totaal f 2.350,-- voor de periode van onrechtmatige vrijheidsbeneming, en de Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft. De uitspraak is gedaan door rechter E.H.M. Druijf op 14 maart 2001.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de staandehouding en bewaring onrechtmatig waren en beveelt opheffing van de bewaring met toekenning van schadevergoeding.