ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1664
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Opheffing vrijheidsontnemende maatregel wegens niet tijdig horen vreemdeling in persoon
De vreemdeling, van Chinese nationaliteit, werd op 2 april 2001 de toegang tot Nederland geweigerd en op diezelfde dag werd een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel werd afgewezen en de maatregel werd gehandhaafd. De rechtbank ontving de kennisgeving van handhaving op 4 april 2001 en stelde de zitting uiterlijk op 11 april 2001 vast. De vreemdeling werd echter niet binnen de wettelijke termijn in persoon gehoord, omdat hij op een andere locatie verbleef dan waar de transportorder naartoe was gestuurd.
De rechtbank onderzocht de interpretatie van artikel 94, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en concludeerde dat de wetgever de vreemdeling de keuze wil geven om in persoon of via een gemachtigde gehoord te worden, maar dat dit niet betekent dat de eis van persoonlijk horen kan worden omzeild zonder dat de vreemdeling die keuze heeft gehad. Omdat de vreemdeling niet binnen de termijn in persoon is gehoord en er geen sprake was van overmacht, oordeelde de rechtbank dat de maatregel moet worden opgeheven.
De rechtbank wees ook op het ontbreken van een wettelijke grondslag voor het verzenden van transportorders en het feit dat er geen actie was ondernomen om alsnog vervoer te regelen. De kosten van de procedure werden aan de verweerder opgelegd. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De vrijheidsontnemende maatregel wordt opgeheven omdat de vreemdeling niet binnen de wettelijke termijn in persoon is gehoord.