ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1670
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en staandehouding vreemdelinge op grond van Vreemdelingenwet en APV Utrecht
De vreemdelinge, van Roemeense nationaliteit, werd op 2 april 2001 in bewaring gesteld wegens vermoedelijk illegaal verblijf en het gebruik van vervalste identiteitspapieren. De rechtbank beoordeelde de rechtmatigheid van deze maatregel en de daaraan voorafgaande staandehouding.
De staandehouding vond plaats op het Zandpad te Utrecht, waarbij de verbalisanten hun bevoegdheid baseerden op de Wet Arbeid Vreemdelingen (WAV). De rechtbank stelde echter vast dat de daadwerkelijke bevoegdheid tot controle voortvloeide uit artikel 151a Gemeentewet in samenhang met hoofdstuk 3 van de APV Utrecht, die controle op die locatie toestaat. Het feit dat in het proces-verbaal een onjuiste grondslag werd vermeld, leidde niet tot het oordeel dat de controle onbevoegd was.
De rechtbank oordeelde dat de bewaring terecht was opgelegd op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000, omdat de vreemdelinge geen geldige verblijfsvergunning of identiteitsbewijs had en er een ernstig vermoeden bestond dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken. Tevens was er voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn.
Het beroep van de vreemdelinge werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De rechtbank zag geen aanleiding om de bewaring op te heffen of proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.