ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1674
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring en uitzetting vreemdeling zonder geldige verblijfsstatus
De vreemdeling, met Algerijnse nationaliteit, is op 1 april 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, met het oog op uitzetting en openbare orde. De rechtbank heeft op 17 april 2001 uitspraak gedaan over het beroep tegen deze maatregel.
De rechtbank oordeelt dat er een redelijk vermoeden bestond dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een strafbaar feit, gelet op het feit dat hij op een locatie bekend om drugshandel een plastic zakje met pillen aan een ander liet zien. De staandehouding en ophouding voor verhoor zijn daarmee rechtmatig. Daarnaast was er een redelijk vermoeden van illegaal verblijf, wat de bewaring rechtvaardigt.
Hoewel verweerder stelt dat de voortvarendheid van uitzetting niet getoetst mag worden bij eerste beroep, deelt de rechtbank dit niet. De bewaring staat immers geheel in het teken van uitzetting, en de rechtbank betrekt het korte tijdsbestek bij haar beoordeling. Verweerder heeft binnen negen dagen diverse uitzettingsactiviteiten ontplooid, waaronder het horen van de vreemdeling en het starten van documentenaanvragen.
De rechtbank concludeert dat de bewaring niet in strijd is met de wet of onredelijk is, verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring en uitzetting wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.