ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1686
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot verblijf in Nederland tijdens bezwaar tegen intrekking vluchtelingenstatus
Verzoeker, een Iraakse Koerdische vreemdeling die in 1996 als vluchteling in Nederland werd toegelaten, kreeg zijn vluchtelingenstatus in januari 2001 ingetrokken na discrepanties tussen verklaringen afgelegd tijdens zijn asielprocedure en verklaringen tijdens een mvv-aanvraag op de Nederlandse ambassade in Damascus.
Verzoeker en zijn echtgenote verzochten de rechtbank om voorlopige voorzieningen zodat zij Nederland mochten inreizen en verblijven totdat de bezwaarprocedures tegen de intrekkingsbesluiten waren afgerond. De rechtbank overwoog dat, ondanks enkele procedurele bezwaren tegen de gang van zaken op de ambassade, de inhoudelijke verschillen in verklaringen het standpunt van de overheid rechtvaardigen dat verzoeker ten onrechte als vluchteling was toegelaten.
Verder oordeelde de rechtbank dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij zich in Syrië niet staande kon houden of dat er een reëel risico op uitzetting naar Irak bestond. Ook werd geoordeeld dat verzoeker vanuit Damascus contact kon onderhouden met zijn gemachtigde en de procedure kon voeren. Het belang van de overheid om verzoeker niet toe te laten woog zwaarder dan het belang van verzoeker om in Nederland te verblijven tijdens de bezwaarprocedure.
Daarom werden de verzoeken van zowel verzoeker als zijn echtgenote afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor vergoeding van griffierechten of proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot verblijf in Nederland tijdens bezwaar tegen intrekking vluchtelingenstatus wordt afgewezen.