ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1751
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring vreemdeling ondanks beperkte titelloze vrijheidsontneming
De vreemdeling, met de Kazachstaanse nationaliteit, werd op 7 april 2001 aangehouden en vervolgens op 8 april 2001 in bewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling stelde dat hij zonder geldige titel was vastgezeten, met name dat hij een half uur zonder titel gevangen zou hebben gezeten tussen de strafrechtelijke ophouding en de vreemdelingenbewaring.
De rechtbank constateerde dat de vreemdeling inderdaad gedurende 27 minuten zonder geldige titel van zijn vrijheid was beroofd. Desondanks werd de strafrechtelijke procedure slechts marginaal getoetst en geoordeeld dat deze beperkte periode niet automatisch leidt tot onrechtmatigheid van de vreemdelingenbewaring. De reden voor overdracht aan de vreemdelingendienst was al vóór die periode ontstaan, namelijk door het ontbreken van een geldige verblijfsstatus en eerdere strafbare feiten.
De rechtbank stelde vast dat de bewaring op een juiste wettelijke grondslag berustte, namelijk het belang van de openbare orde en het oogmerk van uitzetting. Er was voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.