ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1917
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling redelijkheid termijn behandeling beroep voortduring vrijheidsontneming vreemdeling
Eiser, een vreemdeling van Mexicaanse nationaliteit, werd op 21 februari 2001 in bewaring gesteld en stelde op 22 februari 2001 beroep in tegen deze maatregel. De rechtbank verklaarde dit beroep op 20 maart 2001 ongegrond. Verweerder stelde de rechtbank op 13 april 2001 in kennis van de voortduring van de vrijheidsontneming, waarmee het beroep daarop geacht werd ingesteld te zijn.
Eiser voerde aan dat de behandeling van het beroep ter zitting te laat plaatsvond en dat onduidelijk was of een vooronderzoek had plaatsgevonden. Hij stelde dat de bewaring opgeheven moest worden vanwege overschrijding van de termijn van zeven dagen na kennisgeving. Verweerder stelde dat eiser was gepresenteerd bij de Marokkaanse autoriteiten en dat het onderzoek nog liep, waardoor de behandeling kon worden uitgesteld.
De rechtbank stelde vast dat het vooronderzoek tijdig was gesloten binnen een week na ontvangst van de kennisgeving en dat de behandeling ter zitting op de twaalfde dag na ontvangst plaatsvond. Gezien het systeem van de Vreemdelingenwet 2000 achtte de rechtbank deze termijn niet onredelijk lang, aangezien in eerste beroepen een termijn van zeven dagen voor het vooronderzoek en zeven dagen voor de zitting geldt, samen veertien dagen.
De rechtbank concludeerde dat de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel niet in strijd was met de wet en dat deze in redelijkheid gerechtvaardigd was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortduring van de vrijheidsontnemende maatregel is ongegrond verklaard en de bewaring wordt voortgezet.