ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1919
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid voortzetting bewaring Iraakse vreemdeling ondanks ontbreken last tot lichten
De Iraakse vreemdeling is op 10 oktober 2000 in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet en later opnieuw op basis van een andere grondslag na intrekking van zijn asielverzoek. De rechtbank heeft eerder al geoordeeld dat de maatregel van bewaring rechtmatig was.
In deze procedure stond de rechtmatigheid van de voortzetting van de bewaring centraal, waarbij de gemachtigde van de vreemdeling aanvoerde dat het ontbreken van een last tot lichten de bewaring onrechtmatig maakte. De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van deze last, die een feitelijke mededeling betreft aan de directeur van het Huis van Bewaring over tijdelijke overbrenging, niet leidt tot schending van belangen van de vreemdeling.
De vreemdeling werd op 14 maart 2001 overgebracht voor presentatie bij de Egyptische autoriteiten om uitzetting mogelijk te maken, wat strookte met het doel van de bewaring. De rechtbank constateerde dat er voldoende zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de overheid voortvarend te werk ging, ondanks enige vertraging veroorzaakt door tijdelijke onmogelijkheid tot presentatie bij de Egyptische consul.
Gelet op deze omstandigheden verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en zag geen reden om de bewaring op te heffen. Er werden geen proceskosten aan een van de partijen toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.