ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1924
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- W.J. van Bennekom
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verblijfsweigering voor Turkse minderjarige pleegkinderen wegens onvoldoende motivering
Twee Turkse minderjarige eisers, die sinds hun jonge leeftijd in Nederland verblijven na het overlijden van hun moeder, vroegen om een verblijfsvergunning bij pleegouder. De Staatssecretaris van Justitie weigerde deze vergunningen en beriep zich op het beleid inzake buitenlandse pleegkinderen en verruimde gezinshereniging. De rechtbank oordeelt dat de motivering van de weigering onvoldoende draagkrachtig is omdat onvoldoende rekening is gehouden met het feit dat eisers niet verantwoordelijk zijn voor hun illegale verblijf en dat een gedwongen vertrek ernstige opvoedkundige en emotionele gevolgen zou hebben.
De rechtbank stelt vast dat eisers sinds 1992 niet meer in Turkije zijn geweest en hier grotendeels zijn opgegroeid. De adviezen van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACV) en de daarop gebaseerde besluiten negeerden de belangen van de kinderen en gingen er onterecht van uit dat de situatie hen zelf is aan te rekenen. Ook is de betekenis van artikel 8 EVRM Pro ten onrechte beperkt geïnterpreteerd. De rechtbank beveelt dat de Staatssecretaris nieuwe besluiten neemt met inachtneming van deze overwegingen en de bepalingen van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
De rechtbank veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige belangenafweging waarbij de belangen van het kind voorop staan en humanitaire gronden zwaarder worden meegewogen dan de formele illegale verblijfsstatus.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt de weigering van de verblijfsvergunning en beveelt hernieuwde besluitvorming met inachtneming van het belang van de kinderen.