ECLI:NL:RBSGR:2001:AB1926
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting op grond van Dublinverordening en gezinslidmaatschap
Verzoeker, een Afghaanse nationaliteit, heeft een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend die is afgewezen. De uitzetting naar Duitsland werd bevolen op grond van de Overeenkomst van Dublin (OvD), omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van zijn asielverzoek.
Verzoeker betoogde dat zijn in Afghanistan gesloten huwelijk onder artikel 4 OvD Pro valt, waardoor Nederland verantwoordelijk zou moeten zijn, omdat zijn echtgenote en dochter als vluchteling in Nederland zijn erkend. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende duidelijk was waarom het huwelijk niet onder artikel 4 OvD Pro zou vallen, mede omdat verzoeker niet nader was gehoord over de huwelijkswijze.
De rechtbank stelde vast dat de instemming van de in Nederland verblijvende gezinsleden vereist is voor toepassing van artikel 4 OvD Pro, maar dat uit het dossier niet blijkt dat de echtgenote haar wens kenbaar heeft gemaakt. Verzoeker gaf aan nog contact te hebben met zijn echtgenote en dat zij niet van plan zijn te scheiden.
Gezien deze omstandigheden en het belang van de gezinsleden, concludeerde de rechtbank dat de uitzetting niet mocht worden uitgevoerd totdat op het bezwaar was beslist. Verweerder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst het verzoek tot voorlopige voorziening toe en verbiedt de uitzetting tot vier weken na beslissing op bezwaar.