ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2000
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- C.P.E.M. Fonteijn
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek toelating als vluchteling wegens onvoldoende bewijs Iraakse afkomst en vrees voor vervolging
Verzoekster, afkomstig uit Irak, vroeg toelating als vluchteling en een verblijfsvergunning wegens humanitaire redenen voor zichzelf en haar zeven minderjarige kinderen. Verweerder wees dit af wegens kennelijke ongegrondheid. Verzoekster stelde dat zij en haar kinderen de Iraakse nationaliteit bezitten en vreesden vervolging vanwege de politieke activiteiten van haar echtgenoot.
De rechtbank oordeelde dat de taalanalyse die verweerder gebruikte om de Iraakse afkomst te betwijfelen onvoldoende is gemotiveerd, mede omdat geen informatie over de deskundigheid van de taaldeskundige werd gegeven. Desondanks vond de rechtbank het vluchtverhaal onvoldoende aannemelijk, mede gezien de verklaringen over de werkwijze van de Veiligheidsdienst en het ontbreken van directe negatieve aandacht voor verzoekster of haar echtgenoot.
Verder werd geoordeeld dat verzoekster een vestigingsalternatief heeft in het Koerdische gebied van Noord-Irak. Ook werd geen sprake geacht van een reëel risico op foltering of onmenselijke behandeling bij terugkeer. Het verzoek om een voorlopige voorziening werd daarom afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar en verzoek om voorlopige voorziening worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van Iraakse afkomst en onvoldoende aannemelijkheid van vrees voor vervolging.