ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2009
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- C.P.E.M. Fonteijn
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige bewaring van vreemdeling wegens onterechte aanhouding als passagier na verkeersongeval
De vreemdeling werd op 8 maart 2001 in bewaring gesteld vanwege vermoedens van illegaal verblijf. De aanhouding vond plaats op basis van overtreding van artikel 7, eerste lid, Wegenverkeerswet (WVW), dat het verlaten van de plaats van een verkeersongeval verbiedt voor betrokken verkeersdeelnemers. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling als passagier geen verkeersdeelnemer is in de zin van dit artikel, wat wordt ondersteund door de Memorie van Toelichting en een eerdere uitspraak van het Hof 's-Gravenhage uit 1996.
Hierdoor was de aanhouding onterecht en daarmee ook de daaropvolgende bewaring onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 22 maart 2001. Tevens wordt een schadevergoeding van ƒ 2.500,- toegekend voor acht dagen politiecel en zes dagen Huis van Bewaring, en worden proceskosten van ƒ 1.420,- aan de vreemdeling toegewezen.
De uitspraak benadrukt dat de vrijheidsontnemende maatregel niet gerechtvaardigd was en dat de vreemdeling onterecht is vastgehouden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig, de bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding van ƒ 2.500,- wordt toegekend.