ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2009

Rechtbank 's-Gravenhage

Datum uitspraak
22 maart 2001
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
AWB 01/10099
Instantie
Rechtbank 's-Gravenhage
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
  • C.P.E.M. Fonteijn
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 WVWArt. 8:75 AwbArt. 8:77 AwbArt. 19 VwArt. 26 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige bewaring van vreemdeling wegens onterechte aanhouding als passagier na verkeersongeval

De vreemdeling werd op 8 maart 2001 in bewaring gesteld vanwege vermoedens van illegaal verblijf. De aanhouding vond plaats op basis van overtreding van artikel 7, eerste lid, Wegenverkeerswet (WVW), dat het verlaten van de plaats van een verkeersongeval verbiedt voor betrokken verkeersdeelnemers. De rechtbank stelt vast dat de vreemdeling als passagier geen verkeersdeelnemer is in de zin van dit artikel, wat wordt ondersteund door de Memorie van Toelichting en een eerdere uitspraak van het Hof 's-Gravenhage uit 1996.

Hierdoor was de aanhouding onterecht en daarmee ook de daaropvolgende bewaring onrechtmatig. De rechtbank beveelt daarom de opheffing van de bewaring met ingang van 22 maart 2001. Tevens wordt een schadevergoeding van ƒ 2.500,- toegekend voor acht dagen politiecel en zes dagen Huis van Bewaring, en worden proceskosten van ƒ 1.420,- aan de vreemdeling toegewezen.

De uitspraak benadrukt dat de vrijheidsontnemende maatregel niet gerechtvaardigd was en dat de vreemdeling onterecht is vastgehouden. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open voor zover het de schadevergoeding betreft.

Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling was onrechtmatig, de bewaring wordt opgeheven en een schadevergoeding van ƒ 2.500,- wordt toegekend.

Uitspraak

ARRONDISSEMENTSRECHTBANK 'S-GRAVENHAGE
sector bestuursrecht
vreemdelingenkamer, enkelvoudig
nevenzittingsplaats Dordrecht
__________________________________________________
UITSPRAAK
ingevolge artikel 8:77 Algemene Pro wet bestuursrecht
juncto artikel 34a Vreemdelingenwet
__________________________________________________
Reg.nr : AWB 01/10099 VRWET
Inzake : A, thans verblijvende in het Huis van Bewaring te Tilburg, hierna te noemen de vreemdeling,
gemachtigde mr. G.M. van der Ent, advocaat te Hellevoetsluis
tegen : de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
gemachtigde mr. H. van Galen, ambtenaar ten departemente.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
1. De vreemdeling stelt te zijn geboren op [...] 1980 en de Ivoriaanse nationaliteit te hebben. Op 8 maart 2001 is de vreemdeling in bewaring gesteld met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder a, van
de Vreemdelingenwet (Vw). Op 13 maart 2001 heeft verweerder de vreemdeling vervolgens met toepassing van het bepaalde in artikel 26, eerste lid, aanhef en onder c, Vw in bewaring gesteld.
2. Op 10 maart 2001 (ontvangen 12 maart 2001) heeft de vreemdeling tegen de vrijheidsontnemende maatregel beroep ingesteld. Op 14 maart 2001 heeft de vreemdeling vervolgens beroep ingesteld tegen de vrijheidsontnemende maatregel van
13 maart 2001.
3. De openbare behandeling van dit beroep heeft plaatsgevonden op 22 maart 2001. De vreemdeling is aldaar verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is
verschenen B.J. Verheij, tolk in de Franse taal.
II. OVERWEGINGEN
1. Ter beoordeling staat of de toepassing of tenuitvoerlegging van de onder-
havige maatregel tot vrijheidsontneming in strijd is met de Vreemdelingenwet, dan wel bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is te achten.
2. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van staandehouding en ophouding voor verhoor op onrechtmatige wijze zijn toegepast.
3. Naar het oordeel van de rechtbank vloeide uit de feiten en omstandigheden als weergegeven in het proces-verbaal van aanhouding geen redelijk vermoeden voort dat de vreemdeling zich schuldig had gemaakt aan het plegen van een
strafbaar feit. De vreemdeling is als passagier aangehouden op grond van overtreding van artikel 7, eerste lid, Wegenverkeerswet (WVW). Ingevolge dat artikel is –kort gezegd- het degene die bij een verkeersongeval is betrokken
verboden de plaats van het ongeval te verlaten. Blijkens de Memorie van Toelichting op de wijziging van deze bepaling per 1 januari 1995 wordt aangegeven dat de bepaling zich richt tegen alle verkeersdeelnemers, in plaats van alleen
bestuurders, zoals vermeld in het voor de wijziging geldende artikel. De Memorie van Toelichting noemt als voorbeeld de voetganger of ruiter. De Memorie van Toelichting vervolgt expliciet met de overweging dat de bepaling zich niet
langer richt tegen degene die na het ongeval het stuur overneemt van de bestuurder en vervolgens wegrijdt. Naar het oordeel van de president ziet de bepaling derhalve zeker niet op de passagier. De president verwijst hiervoor naar
de uitspraak van het Hof ‘s-Gravenhage van 11 juli 1996, NJ 1997 nr.14, waarin het Hof oordeelt dat de verdachte als passagier geen betrokkene is bij het verkeersongeval in de zin van artikel 7 WVW Pro aangezien hij niet kan worden
aangemerkt als verkeersdeelnemer. Derhalve is sprake van een onterechte aanhouding.
Aangezien pas na bovengenoemde aanhouding is gebleken van concrete aanwijzingen over illegaal verblijf als bedoeld in artikel 19, eerste lid, Vw is de vreemdeling na de beëindiging van het strafrechtelijk onderzoek onterecht
staandegehouden ingevolge die bepaling.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de bewaring van de vreemdeling vanaf 8 maart 2001 onrechtmatig was. Het beroep is derhalve gegrond en de bewaring dient te worden opgeheven met ingang van 22 maart 2001.
Voorts acht de rechtbank voldoende gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor acht dagen verblijf in een politiecel en zes dagen verblijf in een Huis van Bewaring wegens onrechtmatige bewaring ten bedrage van ƒ
200,- respectievelijk ƒ 150,- per dag, zijnde ƒ 2500,- totaal.
De rechtbank ziet in dit geval tevens aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen in de door de vreemdeling gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op voet van
het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op f 1420,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt f 710,- en wegingsfactor 1).
III. BESLISSING
De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:
1. verklaart het beroep gegrond;
2. beveelt de opheffing van de maatregel tot vrijheidsontneming;
3. wijst het verzoek om schadevergoeding toe en kent aan de vreemdeling een schadevergoeding toe, groot ƒ 2500,- ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de rechtbank;
4. veroordeelt verweerder in de proceskosten ad ƒ 1420,- onder aanwijzing van de Staat der Nederlanden die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.
IV. RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage, voor zover het betreft de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. De Officier van Justitie kan binnen veertien dagen na de uitspraak en de
vreemdeling binnen een maand na de betekening van de uitspraak hoger beroep instellen door het indienen van een verklaring als bedoeld in de artikelen 449 en 451a Wetboek van Strafvordering bij de Arrondissementsrechtbank te
's-Gravenhage.
Aldus gedaan door mr. C.P.E.M. Fonteijn en uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2001 in tegenwoordigheid van mr. J. van Dort, griffier.
afschrift verzonden op: 25 april 2001