ECLI:NL:RBSGR:2001:AB2414
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening aan Koerdische vrouw wegens vrees eerwraak na verkrachting
Verzoekster, afkomstig uit Noord-Irak en behorend tot de Koerdische bevolkingsgroep, heeft een aanvraag om toelating als vluchteling ingediend. Haar echtgenoot verbleef sinds 1997 in Nederland, terwijl zij met haar kinderen achterbleef in Irak. Verzoekster werd meerdere malen verkracht door de neef van haar echtgenoot, wat leidde tot zwangerschap. Zij vreesde vervolging door de KDP vanwege de politieke activiteiten van haar man en eerwraak door haar familie vanwege de zwangerschap.
De president van de rechtbank achtte het niet aannemelijk dat verzoekster vreest voor vervolging door de KDP, maar vond het niet onaannemelijk dat de verkrachtingen en de daaruit voortvloeiende situatie een grond kunnen vormen voor het verlenen van een vergunning tot verblijf op humanitaire gronden. Verweerder betwistte de feiten niet, maar had deze niet in het licht van het ambtsbericht van 12 april 2000 bezien, waarin staat dat vrouwen in soortgelijke situaties vaak onvoldoende bescherming genieten en risico lopen op dodelijke eerwraak.
De rechtbank oordeelde dat verzoekster niet als vluchteling kon worden aangemerkt, maar dat haar vrees voor eerwraak en de traumatische omstandigheden een redelijke kans van slagen voor haar bezwaar boden. Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waarbij verweerder werd verboden om verzoekster uit te zetten totdat op haar bezwaar was beslist. Tevens werden de proceskosten aan verzoekster toegekend.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen en uitzetting van verzoekster wordt verboden tot beslissing op bezwaar.