ECLI:NL:RBSGR:2001:AB3046
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitzettingsbesluit vluchteling uit Sri Lanka
Verzoeker, een Sri Lankaans staatsburger en asielzoeker sinds 1998, diende een aanvraag tot vluchtelingenstatus in die op 9 maart 2000 werd afgewezen. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt en een verzoek tot schorsing van uitzetting ingediend. De president van de rechtbank beoordeelde het verzoek op grond van het oude recht, aangezien het primaire besluit voor 1 april 2001 was genomen.
De president oordeelde dat het relaas van verzoeker over zijn verblijf en activiteiten in Sri Lanka ongeloofwaardig was, mede door tegenstrijdige verklaringen en manifest bedrog bij de aanvraag. Hierdoor kon geen geloof gehecht worden aan zijn vrees voor vervolging. Ook werd beoordeeld dat terugkeer naar Sri Lanka geen schending van artikel 3 EVRM Pro oplevert.
Ten aanzien van de aanvraag voor verblijf als alleenstaande minderjarige vreemdeling (amv) concludeerde de president dat het manifest bedrog niet als contra-indicatie geldt en dat nader onderzoek naar de opvangmogelijkheden bij de oom van verzoeker nodig is. Gezien deze omstandigheden werd het bezwaar gegrond verklaard en de voorlopige voorziening toegewezen, met veroordeling van de Staat in de proceskosten.
Uitkomst: Verzoek tot schorsing van uitzetting wordt toegewezen en de Staat wordt veroordeeld in proceskosten.