ECLI:NL:RBSGR:2001:AD4893
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- A.A.M. Mollee
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen beëindiging uitkering kunstenaars
Verzoeker, een beeldend kunstenaar werkzaam als schilder en videomaker, ontving sinds 1 juli 1999 een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik). Verweerster heeft op basis van een advies van het Voorzieningenfonds voor Kunstenaars (Vvk) de uitkering per 1 juli 2001 beëindigd wegens onvoldoende bruto-inkomsten uit kunstenaarschap in 2000 en een gebrek aan perspectief op een renderende beroepspraktijk.
Verzoeker maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening om te voorkomen dat hij huurachterstanden zou oplopen. Hij betoogde dat zijn werk zich buiten de reguliere kunstkanalen bevindt en dat de uitkering juist bedoeld is om hem te ondersteunen bij het opbouwen van zijn beroepspraktijk.
De rechtbank overweegt dat de wettelijke grondslag voor beëindiging van de uitkering is gelegen in artikel 6 van Pro de Wik, waarin is bepaald dat beëindiging kan plaatsvinden indien de kunstenaar niet kan aantonen het vereiste bruto-inkomen of bruto-omzet te hebben verworven. Verzoeker voldeed niet aan de norm van f 2400,- bruto-inkomen of omzet, aangezien hij slechts f 700,- aan inkomsten uit kunstenaarschap had en een subsidie van f 1800,- niet als inkomen uit kunstenaarschap geldt.
De rechtbank concludeert dat het besluit een juiste wettelijke grondslag heeft en dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen. De uitkering wordt derhalve terecht beëindigd met ingang van 1 juli 2001.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de beëindiging van de Wik-uitkering wordt afgewezen.