ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5174
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtmatigheid bewaring vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000
Een Bulgaarse vreemdeling werd op 12 juni 2001 aangehouden in een hennepkwekerij wegens het ontbreken van geldige verblijfsdocumenten. De maatregel van bewaring werd opgelegd door verweerder op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf had en de openbare orde dit vereiste.
De gemachtigde van de vreemdeling voerde aan dat de bewaring ten onrechte op deze grondslag was opgelegd, omdat de benodigde reispapieren aanwezig waren en verweerder artikel 59, tweede lid, had moeten toepassen. De rechtbank oordeelde dat de tweede lid bedoeld is om de mogelijkheden tot bewaring te verruimen en dat de eerste lid de vreemdeling juist waarborgt doordat een motivering van de noodzaak van bewaring wordt geëist.
De rechtbank stelde vast dat de strafrechtelijke aanhouding rechtmatig was en dat de verschillen in adresvermeldingen in de proces-verbalen niet tot twijfel leidden. Wel werd geoordeeld dat de vreemdeling niet naar de zitting was vervoerd, terwijl dit op grond van artikel 94, tweede lid, Vw 2000 wel had moeten gebeuren.
Gelet op het geheel oordeelde de rechtbank dat de bewaring onrechtmatig was en in strijd met de Vreemdelingenwet, en dat de bewaring daarom moest worden opgeheven. Tevens werden de proceskosten aan verweerder opgelegd.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt opgeheven wegens onrechtmatigheid en strijd met de Vreemdelingenwet 2000.