ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5346
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige vreemdelingenbewaring
Verzoeker, een vreemdeling van Franse nationaliteit, werd op 15 april 2001 in bewaring gesteld. De kennisgeving van deze maatregel bereikte de rechtbank niet tijdig, waardoor de bewaring onrechtmatig werd voortgezet tot 5 juni 2001. Op 11 juni 2001 diende verzoeker een verzoek om schadevergoeding in.
De rechtbank oordeelde dat ondanks een strikte lezing van artikel 106 Vreemdelingenwet Pro 2000 de rechtbank bevoegd is het verzoek te behandelen, omdat de wetgever eenzelfde ruime toepassing beoogde als bij het vergelijkbare artikel 34j Vreemdelingenwet. De bewaring was onrechtmatig vanaf 25 april 2001 tot de opheffing op 5 juni 2001, waarvoor een vergoeding van 40 dagen tegen fl. 150 per dag (totaal fl. 6.000) werd toegekend.
Verzoeker vorderde daarnaast een immateriële schadevergoeding van fl. 5.000 wegens het langdurig onrechtmatig vrijheidsberovend verblijf zonder rechterlijke toetsing. De rechtbank stelde vast dat verweerder zijn plicht tot toetsing niet was nagekomen, wat een schending van het recht op toegang tot de rechter betekende. Echter vond de rechtbank dat de vaststelling van deze schending voldoende compensatie bood en wees de extra immateriële vergoeding af.
De rechtbank veroordeelde de Staat tot betaling van fl. 6.000 schadevergoeding en proceskosten van fl. 1.420. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.
Uitkomst: De rechtbank kent een schadevergoeding van fl. 6.000 toe wegens onrechtmatige bewaring en wijst een extra immateriële schadevergoeding af.