ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5410
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Janse van Mantgem
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige staandehouding en bewaring vreemdeling wegens ontbreken redelijk vermoeden illegaal verblijf
Op 4 mei 2001 werd de Turkse vreemdeling staandegehouden en in bewaring gesteld op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De staandehouding vond plaats na een controle in een bakkerij en een daaropvolgende controle in de woning boven de bakkerij, waar twee personen werden aangetroffen. De vreemdeling kon zich niet legitimeren en verklaarde illegaal in Nederland te verblijven.
De rechtbank beoordeelde of er voorafgaand aan de staandehouding een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Uit het proces-verbaal bleek dat de staandehouding niet op grond van de Wet Arbeid Vreemdelingen kon plaatsvinden, omdat de vreemdeling niet betrokken was bij de gecontroleerde activiteiten. De rechtbank stelde vast dat de feiten en omstandigheden voorafgaand aan de staandehouding onvoldoende waren om een redelijk vermoeden van illegaal verblijf aan te nemen.
Verweerder stelde dat de woning boven de bakkerij 'besmet' was door de aanwezigheid van een illegale vreemdeling, waardoor de staandehouding gerechtvaardigd was. De rechtbank vond dit onvoldoende onderbouwd, mede omdat het proces-verbaal onduidelijk was over de wettelijke grondslag en de relevante feiten voor de bewaring.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring van meet af aan onrechtmatig was en beval de opheffing ervan met ingang van 18 mei 2001. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten. Het verzoek om schadevergoeding werd niet inhoudelijk behandeld in deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring wegens ontbreken van een objectief redelijk vermoeden van illegaal verblijf.