ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5418
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Ollermann
- Rechtspraak.nl
Toekenning schadevergoeding wegens onrechtmatige voortzetting vreemdelingenbewaring
De vreemdeling, met de Nigeriaanse nationaliteit, werd op 15 november 2000 in bewaring gesteld. De rechtbank verklaarde eerdere beroepen tegen de bewaring ongegrond. Op 9 mei 2001 stelde de vreemdeling opnieuw beroep in en verzocht om schadevergoeding wegens voortzetting van de bewaring.
De gemachtigde van verweerder gaf ter zitting aan dat de bewaring was opgeheven omdat niet tijdig aan de kennisgevingseis van artikel 96, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 was voldaan. De kennisgeving had uiterlijk op 28 april 2001 moeten plaatsvinden, verlengd tot 1 mei 2001 wegens een weekend. De rechtbank oordeelde dat de bewaring vanaf 2 mei 2001 onrechtmatig was en dat de vreemdeling vanaf die datum recht had op schadevergoeding.
Verweerder stelde dat over de eerste twee weken na 28 april 2001 geen schadevergoeding verschuldigd was, omdat de termijn voor vooronderzoek en uitspraak twee weken bedroeg. De rechtbank verwierp dit en benadrukte dat de kennisgevingstermijn een essentiële waarborg is tegen onnodig voortduren van bewaring.
De rechtbank kende een schadevergoeding toe van 2850 gulden voor 19 dagen onrechtmatige bewaring en veroordeelde verweerder tot betaling van proceskosten van 1420 gulden. Er was geen hoger beroep mogelijk tegen deze uitspraak.
Uitkomst: De rechtbank kende schadevergoeding toe voor onrechtmatige voortzetting van de vreemdelingenbewaring vanaf 2 mei 2001.