ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5419
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H. Ollermann
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen inbewaringstelling vreemdeling wegens openbare orde en uitzetting
De vreemdeling, met de Ghanese nationaliteit, werd op 14 mei 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet Pro 2000 vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsstatus, het ontduiken van vreemdelingentoezicht en het vermoeden van een strafbaar feit. De advocaat van de vreemdeling stelde dat een brief aan het Centraal Intakebureau Vreemdelingenzaken (CIV) ten onrechte als beroepschrift werd aangemerkt en dat de strafrechtelijke staandehouding onrechtmatig was.
De rechtbank oordeelde dat het CIV terecht aannam dat de brief een beroepschrift was tegen de inbewaringstelling, mede omdat de brief binnen de wettelijke termijn was ingediend en een afschrift van het besluit tot inbewaringstelling bevatte. De strafrechtelijke aanhouding werd als rechtmatig beoordeeld, gezien het redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de lokale APV.
Verder concludeerde de rechtbank dat de bewaring gerechtvaardigd was in het belang van de openbare orde en uitzetting, omdat de vreemdeling geen geldige verblijfsvergunning had, zich aan toezicht onttrok en een ernstig vermoeden bestond dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken. Er was voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, en geen gronden om de bewaring op te heffen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de inbewaringstelling van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de bewaring bevestigd.