ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5465
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vreemdelingenbewaring van Britse onderdaan zonder vaststelling verblijfsrecht
Eiser, een Britse onderdaan, werd op 23 september 2001 in vreemdelingenbewaring gesteld na een strafrechtelijke heenzending. De vreemdelingenbewaring vond plaats zonder voorafgaand onderzoek naar zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie. Pas op 27 september 2001 bevestigden Britse autoriteiten zijn nationaliteit, waarna de bewaring werd opgeheven.
De rechtbank oordeelt dat op grond van artikel 8.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 een EU-onderdaan alleen in bewaring mag worden gesteld indien is vastgesteld dat hij geen verblijfsrecht heeft of dit is vervallen, en de termijn van vier weken om te vertrekken is verstreken, tenzij sprake is van een dringend geval. Dit was niet het geval, waardoor de bewaring onrechtmatig was.
De rechtbank wijst erop dat de wet in artikel 50 Vreemdelingenwet Pro 2000 afzonderlijke bevoegdheden kent voor het vaststellen van identiteit en verblijfsrecht, waarvan geen gebruik is gemaakt. Gelet op de omstandigheden, waaronder de levensomstandigheden van eiser, kent de rechtbank een schadevergoeding toe van ƒ 800,- voor vier dagen bewaring. Tevens worden proceskosten aan eiser toegekend.
Uitkomst: De vreemdelingenbewaring van eiser was onrechtmatig en hij kreeg een schadevergoeding toegekend.