ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5478
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek wegens onvoldoende aannemelijkheid van vervolgingsgevaar in Irak
Verzoeker, een Koerdische man geboren in 1974, vroeg asiel aan wegens vermeende vervolging door Iraakse autoriteiten en bloedwraak van Koerdische zijde vanwege zijn deelname aan het Volksleger. Hij stelde dat hij gedwongen was toegetreden tot het Volksleger en later opdrachten van de Baath-partij ontving die hij niet kon weigeren. Na het verlaten van Irak vroeg hij asiel aan in Nederland.
De rechtbank oordeelde dat deelname aan het Volksleger vaak onder dwang plaatsvond en dat verzoeker geen bijzondere positie innam binnen deze eenheid. Bovendien bleek uit ambtsberichten en een brief van een antropoloog dat de Koerdische autoriteiten in 1991 amnestie verleenden aan leden van het Volksleger en dat zware gevallen niet altijd vrijuit gingen, maar verzoeker hier niet onder viel. Het risico op bloedwraak werd niet aannemelijk geacht, mede door het tijdsverloop en het ontbreken van concrete aanwijzingen.
Verzoeker beschikte over een binnenlands vestigingsalternatief in Noord-Irak, waar hij familie heeft en waar hij bescherming kan zoeken bij de Koerdische Democratische Partij (KDP). De rechtbank concludeerde dat verzoeker geen gegronde reden had om te vrezen voor vervolging of onmenselijke behandeling bij terugkeer. Het beroep tegen de afwijzing van het asielverzoek werd ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening om uitzetting te voorkomen werd afgewezen.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.