ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5484
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- J. Grijns
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening wegens risico op eerwraak en schending artikel 3 EVRM
Verzoeker, een Iraakse Koerd, vreesde vervolging wegens eerwraak nadat hij ervan werd verdacht zijn ex-vriendin te hebben ontmaagd, hetgeen leidde tot haar moord door haar vader. Na afwijzing van zijn asielaanvraag en bezwaar hiertegen, verzocht hij om een voorlopige voorziening tegen uitzetting.
De rechtbank overwoog dat artikel 32, eerste lid, van de oude Vreemdelingenwet 1965 van toepassing blijft op bezwaren tegen besluiten van vóór 1 april 2001, waardoor uitzetting tijdens bezwaar achterwege blijft indien er een redelijke kans op succes bestaat. De nieuwe Vreemdelingenwet 2000 en de schorsingsregeling van artikel 33b Vw zijn niet van toepassing op deze zaak.
De rechtbank constateerde dat verzoeker een consistent en geloofwaardig asielrelaas had, maar dat dit niet voldeed aan de criteria voor vluchtelingenstatus onder het Vluchtelingenverdrag. Wel oordeelde de rechtbank dat op grond van artikel 3 EVRM Pro niet kon worden uitgesloten dat verzoeker bij terugkeer een reëel risico liep op onmenselijke behandeling vanwege de clan- en familieconflicten in Noord-Irak en de beperkte bescherming door Koerdische autoriteiten.
Daarom werd het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor uitzetting werd verboden totdat op het bezwaar was beslist. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verbiedt de uitzetting van verzoeker totdat op het bezwaar is beslist vanwege een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM.