ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5488
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielverzoek Georgische homoseksuele minderjarige wegens onvoldoende gegronde vrees voor vervolging
Eiser, een minderjarige homoseksuele man afkomstig uit Georgië, verzocht om toelating als vluchteling in Nederland. Hij stelde dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid herhaaldelijk was mishandeld en verkracht in Georgië en dat hij geen bescherming kon verwachten van de Georgische autoriteiten. De rechtbank oordeelde dat gezien zijn minderjarigheid en de omstandigheden van zijn zwervend bestaan het niet zonder meer van eiser kon worden verlangd om bescherming van de Georgische autoriteiten te zoeken.
Verweerder stelde dat eiser geen belang meer had bij doorprocederen omdat hij reeds een voorwaardelijke vergunning tot verblijf had, maar de rechtbank oordeelde dat eiser nog wel belang had bij een uitspraak over zijn vluchtelingenstatus. De rechtbank beoordeelde het asielrelaas en concludeerde dat het lidmaatschap van de communistische partij en het dienstverband als militair onvoldoende grond vormden voor een gegronde vrees voor vervolging. De vermeende huisbezoeken door de Taliban werden onvoldoende aannemelijk geacht.
De rechtbank stelde vast dat de situatie in Afghanistan niet zodanig was dat asielzoekers uit dat land zonder meer als vluchteling konden worden aangemerkt en dat eiser onvoldoende concrete feiten had aangevoerd die een gegronde vrees voor vervolging aannemelijk maakten. Ook werd geen sprake geacht van een reëel risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of van klemmende redenen van humanitaire aard. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees de aanvraag af.
Uitkomst: Het beroep van eiser op toelating als vluchteling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van vluchtelingenstatus wordt bevestigd.