ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5523
Rechtbank 's-Gravenhage
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen uitzetting wegens kennelijke ongegrondheid asielaanvraag
Verzoeker, van Russische nationaliteit en behorend tot de Assyrische bevolkingsgroep, diende een aanvraag om toelating als vluchteling in, die door verweerder werd afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid. Verzoeker stelde dat hij in Rusland vanwege discriminatie en mishandeling geen veilig verblijf had en dat hij geen vestigingsalternatief had. Verweerder betwistte dit en stelde dat verzoeker onvoldoende geloofwaardig was vanwege het ontbreken van reisdocumenten en dat er geen sprake was van een reëel risico op vervolging of schending van artikel 3 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van documenten niet aan verzoeker kon worden toegerekend, maar dat verzoeker niet aannemelijk had gemaakt hoe hij van zijn land van herkomst naar Duitsland was gereisd. De rechtbank stelde dat de discriminatie en mishandeling niet zodanig ernstig waren dat zij als vervolging konden worden aangemerkt en dat verzoeker zich elders in Rusland kon vestigen. Ook was geen sprake van klemmende humanitaire redenen voor verblijf.
De rechtbank concludeerde dat verzoeker geen vluchteling was in de zin van de Vreemdelingenwet en dat er geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM Pro bestond bij terugkeer. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen uitzetting wordt afgewezen wegens kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag.