ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5563
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen bewaring vreemdeling op grond van Vreemdelingenwet 2000
De vreemdeling, die de Nigeriaanse nationaliteit stelt te bezitten, is op 29 mei 2001 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De bewaring is opgelegd omdat de noodzakelijke documenten voor uitzetting aanwezig waren of binnen korte termijn verwacht werden, en de vreemdeling daardoor niet kan ontkomen aan uitzetting.
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel, stellende dat de procesorde is geschonden doordat zijn gemachtigde niet tijdig het dossier kon inzien en dat uitzetting niet mag plaatsvinden zonder bezwaar van het Openbaar Ministerie. De rechtbank oordeelt dat deze bezwaren onvoldoende zijn onderbouwd en dat het Openbaar Ministerie geen bezwaar heeft gemaakt tegen uitzetting.
Verder is vastgesteld dat de vreemdeling een asielaanvraag heeft ingediend, maar deze aanvraag is nog niet beslist en wordt niet als kansrijk beschouwd. De termijn waarbinnen verweerder moet beslissen vangt pas aan na ontslag uit voorlopige hechtenis, wat hier nog niet heeft plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert dat de bewaring niet onrechtmatig is en dat de belangenafweging geen reden geeft tot opheffing van de maatregel. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard.