ECLI:NL:RBSGR:2001:AD5573
Rechtbank 's-Gravenhage
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid bewaring Oekraïense vreemdelinge met verlopen visum
De vreemdelinge, een Oekraïense vrouw, werd op 31 mei 2001 in bewaring gesteld nadat zij betrokken was bij een aanrijding en bleek te beschikken over een verlopen visum. Tijdens de staandehouding kon zij niet verbaal communiceren, maar gaf zij haar paspoort af, waaruit het verlopen visum bleek. De verbalisanten waren op grond van artikel 50, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 bevoegd haar staande te houden.
De vreemdelinge stelde beroep in tegen de bewaring en voerde aan dat de aanhouding onrechtmatig was en dat haar gemachtigde onvoldoende tijd had gehad om het dossier te bestuderen. De rechtbank oordeelde dat ondanks de termijnoverschrijding de vreemdelinge niet in een nadelige positie was gekomen en dat de aanhouding rechtmatig was.
De rechtbank overwoog dat de bewaring was opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vreemdelingenwet 2000, vanwege het ontbreken van een geldige verblijfsvergunning, het onttrekken aan vreemdelingentoezicht en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan. Er was een ernstig vermoeden dat zij zich aan uitzetting zou onttrekken.
De rechtbank concludeerde dat de bewaring niet in strijd was met de wet en dat het beroep ongegrond was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werden geen proceskosten toegekend. Het beroepschrift tegen deze uitspraak kan worden gericht aan de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen de bewaring van de vreemdelinge wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.